Eerste lezing: Genesis 2,7-9; 3,1-7 [A 40]; antwoordpsalm: Psalm 51,3-4.5-6a.12-13.14.17. [A 40];
Tweede lezing: Romeinen 5,12-19 [A 41]; vers voor het evangelie: Matteüs 4,4b [A 42];
Evangelie: Matteüs 4,1-11 [A 42]
Inleiding
In het intredelied zongen we: 'Wanneer mijn dienaar Mij aanroept, geef Ik gehoor.' Dit vers is genomen uit psalm 90. 'Hij roept Mij en Ik verhoor hem.' Roepen en gehoord worden sluiten naadloos bij elkaar aan. Het wordt gezegd van een dienaar, van een gelovige in het Oude Verbond, en is door de Kerk Jezus in de mond gelegd. De Kerk legt het elk mensenkind in de mond, dat door het doopsel kind van God is geworden. We hoeven maar te roepen en we worden verhoord. Er gebeurt met het kind van God wat er met elk mensenkind gebeurt: wanneer het tot zijn ouders roept, dan wordt het meteen verhoord. De ouders schieten meteen te hulp. Als een Godskind in nood is, hoeft het maar te roepen en meteen krijgt het de hulp waarom het vraagt. Dat het zo is tussen God en de mensen, dat is ons geloof. In dat geloof moeten wij steeds weer opnieuw worden bevestigd, onszelf laten bevestigen, en dat doen we vandaag, op deze eerste zondag van de Veertigdagentijd, met het gebruikelijke ritueel van de zondagsviering: de wijding van het water en de besprenkeling daarmee, ter herinnering aan ons doopsel. Toen zijn wij kind van God geworden en voorzien van de heilige Geest, die ons in onze nood doet roepen tot God. Dan zullen wij worden verhoord, steeds weer.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd
om door de duivel op de proef gesteld te worden.
Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast,
kreeg Hij honger.
Nu trad de verleider op Hem toe en sprak:
Als Gij de Zoon van God zijt,
beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen.
Hij gaf ten antwoord:
Er staat geschreven:
Niet van brood alleen leeft de mens,
maar van alles wat uit de mond van God voortkomt.
Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad,
plaatste Hem op de bovenbouw
van een tempelpoort en sprak tot Hem:
Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden,
want er staat geschreven:
aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven,
dat zij U op de handen nemen,
opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.
Jezus zei tot hem:
Er staat ook geschreven:
Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.
Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg,
vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde
in hun heerlijkheid.
En hij zei:
Dat alles zal ik U geven,
als Gij in aanbidding voor mij neervalt.
Toen zei Jezus hem:
Weg, satan; er staat geschreven:
de Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.
Nu liet de duivel Hem met rust
en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen.
Homilie
In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd." Door de Geest? Welke geest? De heilige Geest! Dezelfde Geest die Jezus bij de Jordaan ontving. "Toen ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over Hem komen; en een stem uit de hemel sprak: Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb" (Mt 3,16.17). Dezelfde Geest die God Adam, zoals we zo-even in de eerste lezing hoorden, in de neus blies. "In het begin boetseerde God de Heer de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen." De dieren hadden ook een geest gekregen, maar anders dan de mens: een wereld-geest of een aarde-geest. De mens werd door de ingeblazen adem van God een levend wezen, bezield met het leven van God, het eeuwige leven. Hij werd geschapen voor de onsterfelijkheid. De eerste adem van Adam was Gods adem, Gods heilige Geest. Daardoor kan de mens alles alleen beleven in verbondenheid met God. In de schoonheid van de schepping zag, smaakte en ervoer hij de schoonheid van God. In de goedheid van de ander ontving hij de goedheid van God. Adam was wat we zouden kunnen noemen de eerste contemplatief van de mensheidsgeschiedenis. Hij schouwde God in alle dingen. Hij genoot de aanwezigheid van God in de schepping. Hij had geen Kerk nodig, heel de schepping was tempel van God. Hij was ook nooit verstrooid in het gebed, of sterker nog, hij hoefde niet te bidden, hij bad altijd. Hij was altijd in gebed, alles was voor hem gebed, alles werd voor hem aanleiding om zijn hart te verheffen tot God. Hij wás gebed.
Gebed, bidden, gebeden verrichten, eredienst, naar de Kerk gaan, dat veronderstelt allemaal iets van een tweeheid, van een verdeeldheid. Die verdeeldheid, die gebrokenheid, is gekomen door de zondeval. Het beter weten, de eigen wijsheid in plaats van de wijsheid van de liefde, de slangensluwheid, met als inzet: aan God gelijk willen zijn. "Als ge eet van die boom, zult ge gelijk worden aan God door de kennis van goed en kwaad." Eva overdacht bij het bekoorlijk influisteren van de dwarsgeest, hoe aantrekkelijk het was om door het eten van de boom inzicht te krijgen, inzicht door het zelf uitmaken wat goed en kwaad is. Dat is eigenlijk de inzet van het eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Niet aannemen dat er een absoluut onderscheid is tussen goed en kwaad, dat daar niet mee valt te marchanderen, dat je geen compromissen kunt sluiten, en dat je dat niet in eigen hand hebt. Dat het onderscheid tussen goed en kwaad even absoluut is als God en dat het dus afhankelijk is van een instantie buiten en boven de mens. Daarom kan men niet naar eigen believen beschikken over goed en kwaad en het niet zo maar naar eigen hand zetten.
Eva bezweek voor de bekoring, want ze was alleen. Het gesprek speelt zich af tussen de vrouw en de slang, niet tussen de man en de vrouw aan de ene kant en de slang aan de andere kant. Samen zouden ze sterk zijn. Man en vrouw samen zijn onoverwinnelijk. Dat wist de slang en daarom probeert hij de vrouw alleen te spreken. Alleen ben je als mens zwak, onvolkomen, is je immuunsysteem niet opgewassen tegen de bekoringen van de duivel. Het is daarom ook niet goed voor de mens om alleen te zijn, zegt God. In de eenzaamheid, in het alleen zijn, gaat de mens zich illusies maken. Hij wordt door verkeerde geesten op het verkeerde been gezet. En als dat toen al was, toen er nog niet zo'n ontvankelijkheid was voor de verkeerde geest, toen het immuunsysteem van de mens voor het goede en het slechte nog sterk was, hoeveel te meer dan nu, nu de mens niet meer immuun is, maar juist in hoge mate vatbaar voor de inblazingen van de verkeerde geest.
Vanaf het moment dat Adam en Eva beiden hadden toegegeven, beiden hadden gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad, werd de heilige Geest van Godzucht en gedrevenheid, de drift naar God toe, de geestdrift, omgedraaid in zelfzucht. De mens is aan zichzelf verkleefd geworden. Hij valt terug op zichzelf, zoekt zichzelf met even grote kracht waarmee hij eertijds God heeft gezocht en gevonden. Maar God heeft hem niet aan die zelfzucht, die tenslotte zou uitlopen op de dood, uitgeleverd; Hij is hem met alle hulp tegemoet gesneld, zoals we vandaag in het vierde eucharistische gebed zullen bidden: 'Zodat wie U zoeken wil, U reeds heeft gevonden.' Hij hoeft maar te roepen, hebben we aan het begin van de eucharistieviering gezongen en gebeden, en hij wordt verhoord.
God heeft een nieuw begin gemaakt in de oude schepping, in het uitverkoren volk en in Jezus, in wie heel het uitverkoren volk is samengebracht. Jezus, de eigen en enige Zoon van God, die mens is zoals wij, aan dezelfde bekoringen blootgesteld is als wij, maar niet in de zonde. Hij is aan de bekoringen niet bezweken zoals de eerste Adam. Elke strijd die Hij voert, loopt uit op een klinkende overwinning. Dat is de blijdschap van de Veertigdagentijd, waarin wij ons zwak maken zoals Jezus in de woestijn, maar ons laten leiden door de heilige Geest, waardoor we niet bezwijken, maar overwinnen. Het is een tijd van strijd met open vizier, de vijand tegemoet in de kracht van Gods Geest. Als wij voeling houden met díe kracht, dan wordt de schepping weer heel, dan krijgen we een nieuwe schepping. Dat is wat wij geloven en dat willen wij nu uitspreken in de Geloofsbelijdenis.