Eerste lezing: Jeremia 33,14-16
Tweede lezing: 1 Tessalonicensen 3,13-4,2
Evangelie: Lucas 21,25-28.34-36
Inleiding
'Mijn God, tot U richt ik mijn geest; op U vertrouw ik.' Dit is de intredezang bij de eerste zondag van de Advent. Het is typisch iets voor de Advent, dat innige gebedscontact van de gelovige met God. Hij noemt God zelfs míjn God, als dé Enige waarop de mens kan vertrouwen. 'Tot U richt ik mijn geest, mijn God; op U vertrouw ik.' De persoonlijke ervaring van deze gelovige mag de ervaring worden niet alleen van alle gelovigen, maar ook van alle mensen. Alle leiders, alle redders van deze wereld zullen blijken te kort te schieten, zij kunnen ons niet redden. Dat kan alleen God! Wat een genade dat wij als gelovigen al van meet af aan door God zijn aangenomen als zijn kinderen, die, zoals kinderen bij hun ouders, bij onze God geborgenheid mogen vinden, die de rust en de vrede van de eindoverwinning nu al mogen smaken. In het doopsel is ons die genade gegeven als een gave, maar ook als een opgave. De opgave namelijk om ons steeds weer te onthechten aan mensen en dingen waarin wij geborgenheid hebben gevonden, om tenslotte alleen in Hem onze geborgenheid te vinden.
De zondagse eucharistieviering begint met de vernieuwing van ons doopsel en die komt dan op de plaats van de schuldbelijdenis. Het is ook een boete-acte. Die geweldige overgang, van het kind in de moederschoot naar het kind van God is eigenlijk ook een daad van onthechting.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren
en op de aarde zullen volkeren in angst verkeren,
radeloos door het gebulder van de onstuimige zee.
De mensen zullen het besterven van schrik,
in spanning om wat de wereld gaat overkomen,
want de hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken.
Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk,
met macht en grote heerlijkheid.
Wanneer zich dit alles begint te voltrekken,
richt u dan op en heft uw hoofden omhoog,
want uw verlossing komt naderbij.
Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt
door een roes van dronkenschap en de zorgen des levens;
laat de komst van de Mensenzoon u niet als een strik onverhoeds grijpen,
want die dag zal komen over allen, waar ook ter wereld.
Weest dus te allen tijde waakzaam
en bidt, dat ge in staat moogt zijn te ontkomen
aan al die dingen die zich gaan voltrekken,
en dat ge stand moogt houden
voor het aangezicht van de Mensenzoon.
Homilie
Er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren en op de aarde zullen volkeren in angst verkeren, radeloos door het gebulder van de onstuimige zee." Alweer een evangelie over het einde van de wereld. De Kerk schijnt er maar niet genoeg van te krijgen, om ons met de neus op de werkelijkheid van het einde te drukken, niet als een dreigende boodschap, maar als een Blijde Boodschap. "Hemel en aarde zullen voorbijgaan, om zo heel onze hoop te vestigen op wat blijft, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan, zegt Jezus (Mt 24,35). Mijn woorden", de woorden van Jezus, die zelf het Woord is van God. Jezus zal dus niet voorbijgaan. Hij komt, en Hij komt om te blijven. Of liever gezegd: Hij komt om steeds weer opnieuw te komen. Hij komt om steeds meer te komen, steeds intenser, om uiteindelijk te komen met de volle ontplooiing van zijn grote macht en heerlijkheid. "Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk, met macht en grote heerlijkheid."
Met het einde van de wereld is het precies als met de komst van de Mensenzoon. Hij komt steeds weer, Hij komt steeds nieuw, steeds intenser, steeds met meer macht en heerlijkheid. En zo is het ook met het einde van de wereld. Je hebt het laatste einde, het absolute einde van de geschiedenis, van de tijd, de volle ontplooiing van de eindigheid. Maar de Bijbel denkt ook aan een voorlopig einde van de wereld, wanneer voor de mensen hún wereld voorbijgaat, de concrete wereld waarin zij leven. In de boodschap van het evangelie gaat het tenslotte eerder om het einde van de concrete wereld van de mensen, dan om het einde van dé wereld, al zijn die twee perspectieven ook dikwijls met elkaar verweven.
Een voorbeeld zal ons dat duidelijk maken. Jezus zegt: "Dit geslacht zal niet voorbijgaan voordat dit alles geschied is" (Mt 24,34). Heeft Jezus Zich dan vergist? Hemel en aarde staan toch nog steeds overeind? Maar Jezus bedoelde niet het einde van dé wereld, maar het einde van de wereld die zijn toehoorders kenden, de Joodse wereld, en die is inderdaad op dramatische wijze aan haar einde gekomen bij de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus. Dat hebben de mensen van zijn geslacht dus wel meegemaakt.
Een ander voorbeeld: In het jaar 410 werd Rome door vandalen onder de voet gelopen en heel wat grote geesten in die tijd, onder andere Augustinus, dachten toen dat het einde van de wereld nabij was. Ze waren er niet zoveel naast, één wereld liep ten einde, de wereld die Rome met het keizerrijk in het leven had geroepen. Die wereld werd onder de voet gelopen.
Een ander voorbeeld: Toen Metternich, een groot staatsman, aan het begin van de negentiende eeuw, de franse revolutie had meegemaakt en in de tijd van de restauratie een nieuw Europa zag opstaan, zei hij: 'De oude wereld is voorbij en de nieuwe is nog niet aangebroken'. Hij beleefde ook een soort wereldondergang.
Toen wetenschappers en journalisten in 1944 de ontploffing van de eerste atoombom voor zich zagen gebeuren, op een veilige afstand in een bunker in de woestijn in Amerika, zeiden velen onder hen: 'Dit is het einde van de wereld'. Ja, de wereld van het buskruit, die was voorbij, de wereld van het atoom, van de mogelijkheid tot totale vernietiging van de hele wereld, die was vanaf dat moment aangebroken.
En is er zoiets ook niet gebeurd op 11 september 2001, toen zelfmoordterroristen de Twin Towers in New York ineen deden storten? Toen ging er ook een wereld ten onder. Dat was het einde van een veilige wereld, waarin de veiligheid van de wereld kon worden gegarandeerd door één enkele grootmacht.
Zoiets kan ook in het klein gebeuren, zoals een aantal jaren geleden. Toen drong een zwaar gestoorde man een lagere school binnen in het kleine plaatsje Hoogerheide, en hij stak een klein kind van acht jaar dood. Een moeder die dat gezinnetje goed kende zei toen: 'Die dingen gebeurden vroeger ver weg, maar nu is het dichtbij'. Daar ging ook een wereld onder, de veilige wereld van het kleine Hoogerheide, waar ze elkaar allemaal kenden. Ook die veilige wereld was voorbij.
Deze dingen kunnen ook gebeuren in het persoonlijke bestaan van ieder mens. Zoals al in de inleiding gezegd, het bestaan van de mens begint zelfs met zo'n wereldondergang. Is er een grotere overgang mogelijk in het leven van de enkeling dan de overgang van de wereld in de moederschoot naar de wereld op twee benen, met eigen bewegingsvrijheid? En er kunnen nog heel wat andere wereldovergangen en ondergangen plaats vinden. De wereld van het kind naar de wereld van de volwassenen, de wereld van het eigen milieu, van het eerste milieu naar het leven als kleine zelfstandige, dan naar het tweede milieu van school, van vriendenkringen, clubs. Steeds lijkt het erop dat mensen dat niet aankunnen, het is te groot, te ver, ze kunnen het niet overzien, je hebt het niet in je greep, je moet springen, je moet geloven. Geloven in Iemand die groter is, Iemand die tegelijkertijd jouw leven in handen heeft, bij wie je je kunt bergen. Dan is het heel goed om te horen: "Hemel en aarde zullen voorbij gaan, hemel en aarde, jouw wereld en onze wereld mogen best voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan." Ik blijf bij je. Als je valt, val je altijd in mijn hand.
Werelden gaan voorbij, de een na de ander. Je moet ze ook voorbij laten gaan, je niet vastklampen aan de wereld waaruit je bent weg gegroeid; je bent er rijp voor om een nieuwe wereld binnen te stappen. Je moet je onthechten aan de wereld waarin je eens geborgenheid hebt gezocht en gevonden, onthechten, om je elke keer meer te hechten aan Hem 'die', zoals in de inleidingzang gehoord hebben, 'je nooit zal teleurstellen'.
Wat is eucharistie vieren anders dan een wereldondergang meemaken, eerst in het woord, de wereld van het menselijke denken, van het menselijke voelen, dan in de zelfgave van Jezus, die zijn wereld laat ondergaan, zijn hemel en zijn aarde laat ondergaan, om dan op te staan in de nieuwe wereld waarin wij samen met Hem naar de Vader zullen gaan.