Zaterdag 20 december 2008

Eerste lezing: Jesaja 7,10-14 [I 41]
Evangelie: Lucas 1,26-38 [I 42]


Inleiding  

Vandaag wordt ons in de eerste lezing als voorspelling voorgehouden: "Zie de maagd zal ontvangen en een zoon ter wereld brengen en zij zal Hem noemen: Immanuël, God-met-ons." De Kerk mag zich dit als geheel aantrekken, maar ook ieder van ons persoonlijk. Dat we ons hart openen, om die volkomen toewijding aan God te ontvangen, die nodig is om Kerstmis te laten gebeuren in ons hart. Dat wij een zoon ter wereld brengen, niet op de wijze van Maria, maar dat wij meer worden als Jezus en Hem in de wereld meer gestalte geven.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij nog zo aan onszelf zijn toegewijd, aan de mensen en de dingen van deze wereld en nog zo weinig aan Hem.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Elisabet zes maanden zwanger was
werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het huis van David;
de naam van de maagd was Maria.
Hij trad bij haar binnen en sprak:
“Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u.”
Zij schrok van dat woord
en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar:
“Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen
en gij moet Hem de naam Jezus geven.
Hij zal groot zijn
en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.”
Maria echter sprak tot de engel:
“Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?”
Hierop gaf de engel haar ten antwoord:
“De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht
heilig genoemd worden, Zoon van God.
Weet dat zelfs Elisabet, uw bloedverwante,
in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen
en, ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij in haar zesde maand;
want voor God is niets onmogelijk.”
Nu zei Maria:
“Zie de dienstmaagd des Heren;
mij geschiede naar uw woord.”
En de engel ging van haar heen.

Homilie  

In het evangelie hebben we gehoord hoe er een ontmoeting plaatsvindt tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Een ontmoeting tussen een vertegenwoordiger van God: de engel Gabriël, van Godswege gezonden en een vertegenwoordiger van de aarde: Maria. Zij vertegenwoordigt heel het mensdom en dus vertegenwoordigt zij ook ons.

Maar wat gebeurt er nu in zo'n ontmoeting? Wat wordt er gezegd, en wat wordt er niet gezegd? Wat gebeurt er wanneer wij in gebed zijn, in een inwendig, persoonlijk gebed? Wat ons hier in het evangelie wordt voorgehouden, is eigenlijk zoveel als een gebedservaring, een Godservaring, een Godsontmoeting. In dit gebeuren van de Blijde Boodschap van de engel aan Maria is de engel aan het woord, hij spreekt en Maria zwijgt, of beter gezegd: Maria luistert. Eén keer, aan het begin, vertoont ze iets van een reactie, maar niet door iets te zeggen. Die reactie was op het woord van de engel: "Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u." Dat roept niet een zekere ongerustheid, maar een zekere verbazing, verwondering in haar op. De engel stelt haar echter gerust en effent zodoende het pad naar haar hart, waar hij met die boodschap wil terecht komen.

In het hart wil de engel bij Maria binnengaan, en in het gebed wil God met zijn Woord in ons hart binnengaan, want God wil niet alleen ons verstand verlichten, ons iets doen begrijpen, een waarheid aan het licht brengen, Hij wil ook en bovenal met zijn Woord ons hart raken, Hij wil ons zijn heilige Geest meedelen, zijn liefde. God wil ons niet alleen een leer of een inzicht geven, maar de waarheid zelf, de waarheid in eigen Persoon, de goedheid in eigen Persoon. Daar hoort bij, omdat het God zelf is, dat er ontzag wordt opgewekt in ons hart, eerbied, heilige vrees. "Maria schrok van dat woord en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.” Als die vreze Gods er eenmaal is, dan kan God verder gaan, Hij stelt gerust, geeft vrede, en maakt zo het hart ontvankelijk voor vertrouwelijkheid en intimiteit: “Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God."

God wil bij ons zijn door zijn eigen Zoon. Wat God voelt voor zijn eigen Zoon, dat voelt Hij ook voor ons en dat krijgt gestalte, niet in een daad, bijvoorbeeld de bevrijding uit Egypte, of de terugkeer uit de ballingschap, de opheffing uit de dood, of verlossing van een hongersnood, van een onrecht, van rampen, ziekten, of in de vorm van persoonlijke begenadigingen, vrede, kracht, troost, verlichting, maar dat krijgt gestalte in een Persoon, en niet in de persoon van een profeet, of een koning, maar in de Persoon van de eigen Zoon van God, dé Koningszoon, die genoemd wordt Immanuël, teken van Gods intimiteit, nabijheid: God-met-ons. Hij wordt Mensenzoon, Hij wordt kind van Maria.

Maar hoe zal dat gebeuren? Langs welke weg komt de genade van het gebed ons leven binnen? Langs welke weg kan God opnieuw geboren worden met Kerstmis. Maria vraagt: "Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?" En wij vragen met haar mee: Hoe zal dat geschieden? Hoe zal er een grotere vertrouwelijkheid ontstaan met God, hoe krijg ik een hart dat méér aan God is toegewijd, dat helemaal ontvankelijk en vrij is voor Hem. Ik, die zo vast zit aan mijzelf, zo door eigenliefde word beheerst, mijzelf van alles heb toegeëigend en dat ook graag zo houden wil. Hoe zal dit geschieden, dat ik, die méér ben van mezelf dan van Hem, méér van Hem word?
De engel geeft aan Maria als antwoord: "De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen." De heilige Geest, de kracht van de Allerhoogste, niet de kracht van een man, maar van God. Het is geen uitwendige macht, maar een inwendige, zachte kracht. Het is enkel liefde, die alleen op te nemen is in het hart. Het is een zoete, zachte kracht die bezit neemt van het hart.

In het gebed gaat het nog steeds zo met de woorden van God. Deze worden opgenomen in het hart, zoals er van Maria ook staat: "Maria bewaarde al deze woorden - woorden van de engel door de herders overgebracht - in haar hart en overwoog ze bij zichzelf" (Lc 2,19). Als God eenmaal met zijn Geest tot die diepte van ons wezen is doorgedrongen, dat zijn liefde bezit heeft genomen van ons hart, dan geschiedt het woord vanzelf.

Na het antwoord van de engel vernomen te hebben, zei Maria: "Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord." Zie de dienstmaagd des Heren!? Daarmee begon toch heel die ontmoeting? De vreze Gods, heilige vrees, eerbied, respect voor de verhoudingen. En dat wordt uitgedrukt in niet zo maar een gevoel, nee, in dat bén ik, ik bén de dienstmaagd des Heren.
Met "Mij geschiede naar uw woord" schept God zelf het jawoord in Maria's hart. God zelf neemt bezit van ons hart en van binnenuit, vanuit ons hart, zeggen wij 'ja' tot het Woord dat God tot ons gesproken heeft. Wij zijn het Woord van God, doordat dat Woord op ons 'ja' vanuit ons hart gezegd, opnieuw vlees aanneemt.

Maar wat is er een stilte nodig om God met zijn Woord tot in die diepte van ons te laten doordringen; wat is er een ingetogenheid nodig, een inkeer, een zelfvergetelheid, dat is niet van deze wereld. Het is wél de genade van de Advent, die stille tijd, als de wereld rondom ons donker wordt en daardoor onze eigen wereld klein. Een tijd die ons niet moet doen vluchten naar knusheid of gezelligheid, of onderlinge menselijke verbondenheid, maar ons moet doen vluchten naar ons hart, naar inkeer. Een tijd waarin wij afdalen in ons hart, in die stille vertrouwelijkheid met Hem, om het verlangen groter en groter te laten worden, zodat wij Hem met Kerstmis echt opnieuw kunnen laten geboren worden.