Paaswake,
  jaar C
Eerste lezing: Genesis 1,1-2,2  
Tweede lezing: Genesis 22,1-18
Derde lezing: Exodus 14,15-15,1
Vierde lezing: Jesaja 54,5-14
Vijfde lezing: Jesaja 55,1-11;
Zesde lezing: Baruch 3,9-15.32-4,4
Zevende lezing: Ezechiël 36,16-17a.18-28  
Achtste lezing: Romeinen 6,3-1 l
Evangelie: Lucas 24,1-12

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Op de eerste dag van de week echter
gingen zij zeer vroeg in de morgen naar het graf,
met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden.
Zij vonden de steen weggerold van het graf,
gingen binnen,
maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet.
Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken,
stonden er plotseling twee mannen voor hen
in een stralend wit kleed.
Toen zij van schrik bevangen het hoofd naar de grond bogen,
vroegen de mannen haar:
“Wat zoekt ge de levende bij de doden?
Hij is niet hier, Hij is verrezen.
Herinnert u, hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft:
De Mensenzoon moet overgeleverd worden in zondige mensenhanden
en aan het kruis geslagen,
maar op de derde dag verrijzen.”
Zij herinnerden zich zijn woorden,
keerden van het graf terug
en brachten dit alles over aan de elf en aan al de anderen.
Het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus;
de andere vrouwen die met hen waren
vertelden aan de apostelen hetzelfde.
Maar dat verhaal leek hun beuzelpraat
en zij geloofden hen niet.
Toch liep Petrus ijlings naar het graf,
bukte zich voorover, maar zag alleen de zwachtels.
Daarop ging hij terug,
verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was.

Homilie      

“Daarop ging Petrus terug, verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was.”
Hoe eindigt een mensenleven? Met de dood! Dat is zo klaar als wat, een onverwoestbare zekerheid. En hoe eindigt het paasevangelie? Met een vraagteken. “Verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was.” Met een vraagteken begint ook dit evangelie: “Ze vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet. Terwijl ze niet wisten wat ervan te denken …"

Het paasevangelie staat vol met vraagtekens, het is vol met gezichten met vraagtekens. Vraagtekens waarover? Over iets waar nog nooit iemand een vraag over had gesteld. Tot dan toe was het: dood is dood. Niets is zo zeker als de dood. De dood is de absolute vorst in de wereld van de mensen, de alleenheerser. Hij regeert met ijzeren vuist, er is geen ontsnappen aan. Niemand heeft ooit gehoord dat er iemand van de dood is teruggekomen. De leerlingen geloofden in God en zij wisten hoe God Israël menigmaal uit een soort doodstoestand tot leven had gebracht: uit de dood van het slavenbestaan in Egypte, uit de dood van het veertig jaar lange leven in de woestijn, uit de dood van de ballingschap. Dat sterven was allemaal een collectief sterven, een geestelijk sterven, maar dat een dode mens weer levend wordt, dat was ondenkbaar, dat kwam in hun geest gewoon niet op.

Om hun geest daarvoor te openen moesten ze als het ware een soort proces doormaken. Dat gaat niet zo maar ineens. Stap voor stap worden zij voor dit totaal nieuwe, alles omvergooiende inzicht gesteld. Het eerste wat de vrouwen aantreffen, was dat "de steen was weggerold." Dat zette hen aan het denken, en dat was nodig om de steen van hun verstand weg te rollen. Dan treden ze binnen in het graf en daarmee treden ze binnen in hun eigen graf, in hun eigen grafsituatie, in de grafkamer van hun dode geest, de ruimte van hun hart waarin het ontzielde lichaam lag van hun ongeloof. Daar worden ze met hun neus op de feiten gedrukt. Ze zoeken God als een dode, als een dood lichaam, als een ontzield lijk. Ze gingen het graf binnen, "maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet." Dat was een tweede breuk in de vanzelfsprekendheid van hun gewone menselijke denkwijze. Een tweede bres in de muur van de burcht van hun ongeloof. "Ze wisten niet wat daarvan te denken."

Maar door er over na te denken, ging de deur van hun geest open. Nu was het tijd voor de boodschap. En die moet komen van een boodschapper uit de andere wereld, uit de wereld waarin de dood geen dood meer is. "Terwijl zij niet wisten wat ervan te denken, stonden er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed." Een stralend wit kleed betekent dat het iemand is uit de andere wereld, bekleed met het schijnsel van de goddelijke glorie. Precies als de uitstraling van het gelaat van Jezus, toen Hij boven op de berg in gebed was, aan de aarde en aan de dood ontheven. Die verschijning had een schokeffect: "Van schrik bevangen bogen zij het hoofd naar de grond." Want dat sloeg opnieuw een bres in hun gewone menselijke denkwijze, met als gevolg dat ze daaraan een klein gevoel van zichzelf overhielden. En met dat kleine zelfgevoel konden ze helemaal openstaan voor God, nu was het moment om de boodschap te laten klinken: "Wat zoekt ge de Levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen." Verlaten door de mensen, overgeleverd, weggehoond door van hoog tot laag, is Hij aangenomen door God aan de andere kant van de dood. God is Hem trouw gebleven. Daardoor was de dood geen dood meer.

Eigenlijk hadden ze het kunnen weten, want wat hier gebeurde, was toch niets anders dan een regelrechte voortzetting, een consequentie, van al wat eraan was voorafgegaan. Niets was meer wat het was. Het water was geen water meer, de blinde was geen blinde meer, een arme was rijk, onzalig waren de zaligen en zalig de onzaligen, gelukkig de ongelukkigen, de eerste werd de laatste en de laatste de eerste, volwassenen moesten kinderen worden, vrouwen waren geen minderwaardige schepsels meer, vijanden waren vrienden geworden, en de zonde werd niet meer gevolgd door straf, door de toorn van God, maar door verzoening en barmhartigheid. Als dat allemaal gebeurd was, en ze hebben het allemaal voor hun ogen zíen gebeuren, waarom trokken ze dan ook niet de gevolgtrekking daarvan: dat de dood geen dood meer is?

Ze trokken die conclusie niet, omdat al die veranderingen zich aan de binnenkant voltrokken. Door hun geloof kregen zij een ander waarnemingsvermogen, waardoor ze achter de gewone werkelijkheid, die dezelfde gebleven was, bijvoorbeeld: dood, ziekte, lijden, vijandschap, vervolging, een diepere werkelijkheid onderscheiden. De buitenkant was dezelfde, de binnenkant was anders. Ze kregen - we hoorden het zo-even uit de profeet Ezechiël nog als belofte - "een nieuw hart en een nieuwe geest", om die diepere dimensie van de gewone werkelijkheid te kunnen waarnemen. De dood werd niet weggenomen, Jezus zou sterven, maar in het sterven treedt Jezus binnen in een andere wereld, in de wereld van God zijn Vader. In de dood treedt Hij het leven binnen. De titel van een boek van Theresia van Lisieux over de laatste maanden van haar leven heet: 'Ik ga het leven binnen.' Ik ga niet dood. Dood zou ze gaan, maar dat was niet de werkelijkheid waaruit zij leefde.

De zinloosheid blijft, dat wordt uitgedrukt in het woordje 'moeten'. De Mensenzoen moet worden overgeleverd in zondige mensenhanden (vgl. Mt 17,22; 20,18; Mc 9,31; 10,33; Lc 9,44). Hij moet aan het kruis worden geslagen. Dat blijft. En dat betekent voor de vrouwen en voor ons, dat wij steeds een stap achter zijn. Zij en ook wij zijn bezig met vragen: wie zal voor ons de steen van het graf afwentelen? "Ze vonden de steen weggerold van het graf." Ergens is er dus werk aan de winkel, en ofwel we zien er tegenop of we gaan er tegenaan, door ijverig bezig te zijn met welriekende kruiden in te slaan en daarmee op pad te gaan. En nu zegt iemand: Laat maar, het hoeft niet meer, het is niet meer nodig. "Toen zij het graf binnengingen, vonden zij er het lichaam van de Heer Jezus niet", net nu ze zich zo liefdevol wilden neerbuigen over dat geteisterde lichaam en het met hun welriekende kruiden wilden verzorgen.

Maar ook hier is het niet wat het leek, want nu was het Jezus die Zich neerbuigt over hén. Zij waren van plan Jezus te dragen, maar nu draagt Hij hen. Zij gingen het graf binnen om een dode te verzorgen, maar nu gaat Hij binnen in hun geest, in hun hart, dat in een grafstemming verkeerde, om hen zo toegankelijk te maken voor het begrijpen van de Schriften: De Mensenzoon moet veel lijden, Hij moet aan zondige mensenhanden worden overgeleverd, Hij moet aan het kruis worden geslagen.
Dat moeten krijgt nu een heel andere dimensie, dat krijgt de dimensie van het innerlijke moeten, het is een 'moeten' vanuit Jezus' hart; dat is iets waardoor Ik pas echt helemaal tot mijn wezen kom, tot mijn recht kom, waar Ik helemaal 'ik' ben, helemaal vrij, hélemaal Kind van God. En dát was de vrouwen gegeven om te zien.

Er is geen grens meer waarop mensen hoeven vast te lopen. Ze worden opgenomen in Gods nieuwe wereld, in Gods mateloze ontferming, want ze lopen door grenzen heen zoals een hardloper door de finish. Hij kan niet zomaar stoppen, hij loopt er doorheen. En zo lopen wij ook door de grenzen van ons menselijk bestaan, de begrenzingen van: we zien het niet meer zitten, we zijn het moe, zo gaat het niet meer langer. Maar zo lopen we ook door de laatste grens, de grens van de dood. Van alle kanten worden er grenzen gesteld, lopen wij tegen grenzen aan, maar met de christelijke hoop in ons hart, uitgestort door de heilige Geest, die zegt: zeg nooit nooit, zeg nooit: tot zover en niet verder, met de hoop in ons hart mogen wij door onze begrenzingen heen lopen. Er is altijd een nieuwe wereld, een nieuw leven achter het einde van wat we zien, want we zijn opgenomen in Gods eindeloze ontferming.
Dat is ons heilig geloof, en dat willen wij nu uitspreken in de vernieuwing van onze doopbeloften, terwijl ook het doopwater opnieuw wordt gewijd, om ons daarmee te laten besprenkelen.