Vrijdag in de twintigste week
       van het even jaar
                     Heilige Maagd Maria, Koningin

Eerste lezing: Ezechiël 37,1-14 [III 237];
Evangelie: Matteüs 22,34-40 [III 238]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd toen de Farizeeën vernamen
dat Jezus de Sadduceeën de mond gesnoerd had,
kwamen zij bijeen
en een van hen, een wetgeleerde,
vroeg Hem om Hem op de proef te stellen:
“Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?”
Hij antwoordde hem:
“Gij zult de Heer uw God beminnen
met geheel uw hart,
geheel uw ziel
en geheel uw verstand.
Dit is het voornaamste en eerste gebod.
Het tweede, daarmee gelijkwaardig:
Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.
Aan deze twee geboden
hangt heel de Wet en de Profeten.”

Homilie
     

Een wetgeleerde wilde Jezus op de proef stellen. Hij probeerde Hem een valstrik te spannen. Daarvoor bedacht hij een vraag zo hachelijk, dat het Jezus dit keer zeker niet zou lukken de andere partij tot zwijgen te brengen, wat Hem tot nu toe nog elke keer gelukt was. Met wat voor een vraag kwam de wetgeleerde aan? Met een vraag waarin hij sterk was, hij was wetgeleerde, van wetten wist hij alles af. Hij wist bijvoorbeeld, dat de wet tweehonderd achtenveertig geboden telde en driehonderd vijfenzestig verboden. De wetgeleerden kenden die allemaal van buiten. Voor de Joodse vroomheid waren die wetten allemaal gelijkwaardig. Eenvoudige mensen hebben in het algemeen moeite hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden. Al heel gauw wordt het meest in het oog springende tot hoofdzaak, en het meest in het oogspringende was de cultische wet, vragen dus over cultische reinheid: reinheidsvoorschriften, gebeden, vastendagen, aalmoezen, daar waren de mensen toen het meeste mee bezig.

Als Jezus één van die geboden de voornaamste zou noemen, zou Hij partij geworden zijn in een strijd tussen rabbijnen. Hij zou een school, een richting hebben voorgestaan, en daar zouden andere partijen, andere scholen, andere richtingen, met evenveel recht tegenovergesteld kunnen worden. Jezus zou één van de velen geworden zijn, Hij zou een groot leraar zijn, maar toch slechts één van de velen. Dat is de richting waarin men het Petrusambt soms graag wil dringen. De liefde is een heel hoge eis, maar van de andere kant kan daardoor het meest onbelangrijke belangrijk worden: een speld opgeraapt uit liefde is meer waard dan een heldendaad verricht zonder liefde. Iedereen kan er te allen tijd aan meedoen. Het gaat er niet om dat je veel kunt of weinig, iedereen kan altijd zichzelf geven, aan God en aan de mensen. Iedereen heeft een hart en dat hart kun je altijd geven. En als je het niet voor elkaar hebt gekregen jezelf te geven, kan dat hart er altijd aan lijden dat je tekort geschoten bent; als iemand dat lijden in liefde doet, dan kan God daar heel veel mee doen.

Maar nu Jezus de liefde tot God en de naaste als het voornaamste gebod aanwijst, loopt Hij dan niet het gevaar zijn zaak tot die van een bepaalde partij te reduceren? Nee, want liefde is niet te zien, liefde is niet uiterlijk; liefde is de innerlijke bezieling van het uiterlijk. Goede daden kun je zien, goede woorden kun je horen, maar of de goede daden en de goede woorden voortkomen uit een goed hart, uit een goede, liefdevolle bedoeling, dat kun je niet zien, dat ziet alleen God, die in het verborgene ziet, die harten en nieren doorgrondt. Dat wil zeggen: nu Hij de liefde het voornaamste gebod noemt, ontneemt Jezus de wetgeleerden precies dat terrein waarin zij zo sterk zijn, waar ze het monopolie hebben: het terrein van het uiterlijke. Als je alles hebt gedaan, alle geboden hebt onderhouden, maar je hebt de liefde niet, dan is het een veld van dorre, levenloze beenderen. Voor God is het waardeloos en voor de mensen ook.