Zaterdag in de twintigste week
       van het even jaar
                               Maria op zaterdag
                      Heilige Rosa van Lima, maagd


Eerste lezing: Ezechiël 43,1-7a [III 239];
Evangelie: Matteüs 23,1-12 [III 240]


Inleiding      

'De Heer loven …' Dat willen wij doen: loven, maar met ons hart, niet alleen met de lippen, de mond, uiterlijk, maar met het innerlijk, want wij hebben een godsdienst van het hart. Maar wat als je nu zo mooi bent als Rosa de Lima was? Een beauty, bloedmooi. Dan kun je God danken en de mensen kijken naar je en ze bewonderen de schoonheid van God. Zo zou het moeten zijn. Zo was het misschien in het paradijs, maar niet in onze wereld. Rosa merkte dat de ogen van de mensen niet gericht waren op God, maar op haar. Het trok haar af van God, die schoonheid. Ze had een roomblanke huid en ze had ontdekt dat de huid wegbrandt als je er ongebluste kalk op doet. Die deed ze op haar armen en zo allerlei andere dingen. Allerlei vormen van boete. Verliefd was zij op de schoonheid van God en dat deed haar de schoonheid van de menselijke natuur verloochenen, verbergen, verstoppen, vernietigen. Het was echt, het ging haar echt om de schoonheid van God. Dat was echt, zoals God Zich echt aan haar gaf en zoals Hij Zich nu ook aan ons wil geven.
Belijden wij dan onze schuld, dat wij niet altijd zo echt zijn, niet zo echt in de omgang met de mensen en niet zo echt in de omgang met God.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs


In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen:
“Op de leerstoel van Mozes
hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen.
Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen,
maar handelt niet naar hun werken;
want zelf handelen ze niet naar hun woorden.
Zij maken bundels van zware, haast ondraaglijke lasten
en leggen die de mensen op de schouders,
maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken.
Alles wat zij doen,
doen zij om bij de mensen op te vallen;
zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot,
ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden
en de voornaamste zetels in de synagogen,
ze laten zich graag groeten op de markt
en willen door de mensen rabbi genoemd worden.
Maar gij moet u geen rabbi laten noemen.
Gij hebt maar één Meester
en gij zijt allen broeders.
En noemt niemand van u op aarde vader;
gij hebt maar één Vader,
de hemelse.
En laat u ook geen leraar noemen;
gij hebt maar één leraar, de Christus.
Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn.
Alwie zichzelf verheft, zal vernederd
en wie zichzelf vernedert
zal verheven worden.”

Homilie      


In de bergrede (Mt 5-7) verkondigde Jezus de ware gerechtigheid. In het drieëntwintigste hoofdstuk van Matteüs rekent Jezus af met de valse gerechtigheid. De valse rechtvaardige rechtvaardigt zichzelf, maar wij worden door God gerechtvaardigd wanneer wij in de ware gerechtigheid staan. Het evangelie kent geen zelfrechtvaardiging. Jezus is dan ook "niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars" (Mt 9,13), daarom gaan tollenaars en ontuchtige vrouwen eerder het Rijk Gods binnen dan de zelfgerechte hogepriesters en oudsten (Mt 21,31).

Jezus noemt de schriftgeleerden en Farizeeën 'huichelaars'. Het woord 'huichelarij' komt uit de wereld van het toneel. In het antieke toneel droeg de toneelspeler een masker, de huichelaar is als zo'n toneelspeler, hij speelt iemand die hij zelf niet is, hij verschuilt zich achter zijn masker. Zo spelen de schriftgeleerden en Farizeeën de rol van rechtvaardige. Achter hun brede gebedsriemen, hun grote mantelkwasten, hun titel 'rabbi', verbergen zij voor God en voor de mensen, en ook voor zichzelf, wie zij echt zijn, wat zij echt denken en bedoelen. Kortom, zij rechtvaardigen zichzelf, zij doen aan zelfredding. Zelfredzaamheid mag dan een positief maatschappelijke eigenschap zijn, in de verhouding met God is het een illusie, een levensgevaarlijke illusie, want men riskeert er zijn eeuwig heil mee, en dat van anderen, want "als de ene blinde de andere blinde leidt, vallen beiden in de kuil" (Mt 15,14).

Tegen deze achtergrond van zelfrechtvaardiging tekent Jezus de nieuwe wereld, een wereld waarin alle mensen gelijk zijn, ja, waar zelfs een omgekeerde hiërarchie bestaat: de hogere dient de lagere, de meester buigt er zich voor de knecht. Alleen God is Vader, en Hij kent alleen barmhartigheid en medelijden. Wie daarin niet gelooft, wordt veroordeeld. Er is maar één leraar, Christus. In de nieuwe schepping zijn de mensen er niet op uit de ander te overtroeven, maar integendeel de ander te dienen. Daarbij is Jezus de onovertroffen Meester: "Hij heeft Zichzelf ontledigd. Hij heeft het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij heeft Zichzelf vernederd tot de dood aan het kruis" (Fil 2,7-8).

God begint zijn rijk in het hart van de mens. Daarin verricht Hij zijn grootste wonderen. Van Jezus uit bouwt God een nieuw volk op. Ja, Hij verheft het tot zijn eigen goddelijke hoogte,  zij worden kinderen van God, bezield door Gods eigen Geest. In Jezus wordt het visioen van Ezechiël waar: God keert met heel zijn glorie terug naar zijn volk, niet naar de tempel, want het volk zelf is de plek geworden waar God zijn intrek zal nemen: "Hier vestig Ik mijn troon, hier is mijn verblijfplaats, hier zal Ik voor altijd bij de Israëlieten wonen."