Donderdag in de twintigste week
          van het even jaar
                                   
Eerste lezing: Ezechiël 36,23-28
Evangelie: Matteüs 22,1-14


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd nam Jezus het woord
en sprak tot de hogepriesters en de oudsten van het volk in gelijkenissen.
Hij zei:
“Het Rijk der hemelen gelijkt op een koning
die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon.
Hij stuurde zijn dienaars uit om allen te roepen
die hij tot de bruiloft had uitgenodigd,
maar zij wilden niet komen.
Daarop zond hij andere dienaars met de opdracht:
Zegt aan de genodigden:
Zie ik heb mijn maaltijd klaar,
mijn ossen en het gemeste vee zijn geslacht;
alles staat gereed.
Komt dus naar de bruiloft.
Maar zonder er zich om te bekommeren, gingen zij weg,
de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.
De overigen grepen zijn dienaars vast,
mishandelden en doodden hen.
Nu ontstak de koning in toorn,
stuurde zijn troepen
en liet de moordenaars ombrengen
en hun stad in brand steken.
Toen sprak hij tot zijn dienaars:
Het bruiloftsmaal staat klaar,
maar de genodigden waren het niet waard.
Gaat dus naar de drukke verkeerswegen
en nodigt wie ge er maar vindt tot de bruiloft.
Zijn dienaars gingen naar de wegen
en brachten allen mee die zij er aantroffen,
slechten zowel als goeden,
en de bruiloftszaal liep vol met gasten.
Toen de koning binnenkwam om de aanliggenden te bezoeken,
merkte hij daar iemand op die niet voor een bruiloft gekleed was.
En hij sprak tot hem:
Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed?
Maar de man bleef het antwoord schuldig.
Toen sprak de koning tot de bedienden:
Bindt hem aan handen en voeten
en werpt hem buiten in de duisternis.
Daar zal geween zijn en tandengeknars.
Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren.”

Homilie  

“Zo spreekt de Heer: Ik zal heiligen mijn grote naam die onder de heidenvolken ontheiligd is. … Ik geef u een nieuw hart en een nieuwe geest in uw binnenste. Mijn geest stort Ik in uw binnenste en Ik bewerk dat gij gaat wandelen naar mijn wetten.'
Wat is het nieuwe van dat hart? En wat is het oude hart? Het oude hart is vervuld van zichzelf. Het nieuwe hart is vervuld van God. Het oude hart doet niets liever dan de eigen wil. Het nieuwe hart doet van harte, van binnenuit, met geestdrift, de wil van God. Zozeer dat de kleine Theresia heeft kunnen zeggen: 'Ik doe altijd mijn eigen wil, want ik wil niets liever dan de wil van God.' De genodigden die niet naar het bruiloftsfeest kwamen, hadden allemaal iets anders te doen. Daar lag hun hart. De opgave van het menselijk leven is te komen tot zuiverheid van hart, eenvoud van hart, tot een inwendige eenheid, weg met alle dubbelhartigheid, gekunsteldheid. Deze zuiverheid van hart is een gave van de heilige Geest, maar van onze kant is het ook een opgave. Ons hart is verdeeld, zoals het hart van de genodigden tot het bruiloftsmaal. Of beter gezegd: ons hart is niet wakker. Zoals abt Poimen ooit eens tot iemand zei: 'Jij hebt nog niet eens een hart; als je een hart hebt, ben je gered.'

Bij de meeste mensen slaapt dit geestelijke hart nog, de genade is nog onbewust. Er is een door elkaar van verlangens en begeerten. Er zijn slechte verlangens en er zijn goede verlangens, maar veelal zijn die goede verlangens in feite illusies of sublimaties, zijn het natuurlijke, ik-gerichte verlangens in een geestelijk, bovennatuurlijk kleedje. Zoals in het evangelie van vandaag: "Zij wilden niet komen." Waarom niet? Niet om iets slechts te doen: de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. Goede dingen, maar niet het goede dat God wil, niet de Goede die God is: "Eén slechts is goed." Je moet loskomen van de dwang van het natuurlijk goede, van je recht, je eigen wil, je eigen belang, je eigen zin. Want dan ligt het middelpunt bij jezelf. Je middelpunt, je hart moet bij Hem zijn: het ene nodige. Op Hem is de eucharistie gericht, zijn woord, zijn liefde. Zoals bij Jezus alles gericht was op de Vader. In die gerichtheid op de Vader neemt Hij ons nu mee: "Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.” Daarmee sluit het eucharistisch gebed: “Door Hem en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen zijn, Heer onze God, almachtige Vader, in de eenheid van de heilige Geest." En het eerste gebed van de communiedienst dat daar onmiddellijk op volgt, is het Onze Vader.