Eerste lezing: Rechters 6,11-24a
Evangelie: Matteüs 19,23-30
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
Voorwaar, Ik zeg u:
voor een rijke is het moeilijk
het Rijk der hemelen binnen te gaan.
Nog sterker:
voor een kameel is het gemakkelijker
door het oog van een naald te gaan
dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.
Toen de leerlingen dit hoorden,
stonden zij verbijsterd en vroegen:
Wie kan er nu eigenlijk gered worden?
Jezus keek hen aan en zei:
Dit ligt niet in de macht der mensen,
maar voor God is alles mogelijk.
Waarop Petrus zei:
Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen.
Wat zullen wij dus krijgen?
Jezus sprak tot hen:
Voorwaar, Ik zeg u:
bij de wedergeboorte,
wanneer de Mensenzoon zal gezeten zijn
op de troon van zijn heerlijkheid,
zult ook gij die Mij gevolgd zijt,
gezeten zijn op twaalf tronen
en heersen over de twaalf stammen van Israël.
En ieder die zijn huis, broers of zusters, vader of moeder,
vrouw, kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn Naam,
zal het honderdvoudig terugkrijgen
en eeuwig leven ontvangen.
Veel eersten zullen laatsten
en veel laatsten zullen eersten zijn.
Homilie
Weesgegroet, begenadigde, de Heer is met u. Zoals het gaat met de roeping van Gideon in de dienst van God, zo gaat het en ging het en zal het gaan met iedere roeping. Het begint zo: De Heer is met u, dappere held, God begint met iemand zijn liefde te laten voelen. Daarna roept Hij op tot een taak, een levenswijze, een levensstaat: Trek op tegen de Midjanieten. Gij zijt sterk genoeg om Israël uit hun macht te bevrijden. En daarop antwoordt de mens met een bezwaar: Als ik het zeggen mag, Heer: Hoe zou ik Israël kunnen bevrijden? Mijn geslacht is het armste van heel Manasse en Ik ben de jongste van de familie. Bij Maria ging het al net zo: Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken. Bij Mozes kwam er ook al meteen een bezwaar uit: Hij sprak tot de Heer: Neem mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen redenaar. Ik ben dat nooit geweest, en ik ben het ook nu niet, al hebt Gij dan ook tot uw dienaar gesproken. Ik spreek moeilijk en traag (Ex 4,10) ... Neem mij niet kwalijk, Heer, zend liever iemand anders (Ex 4,13) ....En het antwoord van God: Ik ben met u." Neem jezelf niet zo gewichtig. Je doet het niet zelf. Je hoeft je alleen maar als instrument te lenen voor zijn werkzaamheid. De bekoring van de rijkdom is: steunen op het eigen kunnen, op een bevoorrechte plaats, de oudste zijn, op geld. En dat kan dan weer op twee manieren: rijk zijn door wat je hebt, of rijk zijn door wat je begeert te hebben. Ik heb dit niet, en ik kan dat niet. De anderen kunnen dat wel en ik zal dat nooit leren enzovoort. Hoort u de klaagtoon? Men beklaagt zich over de armoede, in plaats van er blij om te zijn. Maar zelfs aan zo'n instelling van zelfverheffing en zelfbeklag, die voor God een hindernis is om iets te doen, waarmee je God verhindert iets te doen, zelfs daaraan kan God nog iets doen: voor God is alles mogelijk.