Eerste lezing: Ruth 1,1.3-6.14b-16.22
Evangelie: Matteüs 22,34-40
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd toen de Farizeeën vernamen
dat Jezus de Sadduceeën de mond gesnoerd had,
kwamen zij bijeen
en een van hen, een wetgeleerde,
vroeg Hem om Hem op de proef te stellen:
Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?
Hij antwoordde hem:
Gij zult de Heer uw God beminnen
met geheel uw hart,
geheel uw ziel
en geheel uw verstand.
Dit is het voornaamste en eerste gebod.
Het tweede, daarmee gelijkwaardig:
Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.
Aan deze twee geboden
hangt heel de Wet en de Profeten.
Homilie
God beminnen, uw naasten beminnen
Vandaag een populair thema: de liefde. Maar een liefde voor een minder populair iemand: de liefde voor God, de liefde voor Jezus en de liefde voor wie menselijk gezien nu juist niet beminnenswaardig zijn. De mens naast je, van wie je het meest de gebreken en tekorten ziet. Er zijn mensen die voor God door het vuur gaan, naar de grenzen der aarde, tot aan de grens van hun kunnen. Zij geven hun leven voor onbekende, onbeminde naasten. Nog steeds. En toch is God en toch is Jezus voor de gewone mensen niet populair. Mensen kunnen een filmheld van Hem maken: 'Jesus Christ Superstar'. En toch is Jezus geen volksheld. Want Hij vereenzelvigt Zichzelf met mensen die niet populair zijn: 'wat je aan de minsten der mijnen hebt gedaan
', aan mensen waaraan niets te verdienen valt, lieden met wie je er niet op vooruitgaat, aan wie geen eer te behalen valt: zieken die niet meer beter kunnen worden, leerlingen die te dom zijn om er ooit mee te kunnen pronken. Jezus is onpartijdig, staat boven de partijen, stelt Zich achter degenen die nooit tot een partij kunnen behoren. Jezus is een verbindende figuur, een man van twee geboden, niet van één gebod. Hij is de man van de liefde voor de God van boven, de Heer onze God, en de liefde voor de mens naast je, je naaste. Jezus is een verbindende figuur. Wij komen uit de verdeeldheid. Daarom spreken wij van twee geboden en van twee naturen. Maar in Jezus worden wij tot verzoening en eenheid gebracht, tot verbondenheid en verbond. Wat is het voornaamste gebod?
In dit evangelie worden wij uitgedaagd te kiezen ofwel voor God en niet voor de mens, ofwel voor de mens en niet voor wat God is. Hoe dikwijls worden mensen niet voor een keuze gesteld: zal ik meer bidden en minder voor mijn naasten doen? Wie gaat er voor? God of de medemens? Alsof God Iemand zou zijn naast de mensen: alsof God hier in deze ruimte een plaats zou kunnen hebben naast de andere plaatsen. Hier een plaats voor de mensen en dáár nog een plaats voor God. Maar zo is het natuurlijk niet. Kijkt u maar in deze ruimte. Hij heeft hier in de kapel een allesbeheersende plaats. Hij neemt heel de ruimte in beslag. En toch is er dan pas plaats voor iedereen en allemaal. Pas dan komen mensen tot hun volle recht.
Wanneer mensen onder elkaar zelf voor God spelen, in wat voor verband ook, ontstaan er groepsvormingen, informele leiders, conservatieven, progressieven, standen en verschillen, sympathiek en niet sympathiek, mensen die wat te zeggen hebben en mensen die niets te zeggen hebben. Mensen praten elkaar naar de mond, kijken elkaar naar de ogen. Ze gaan tegen hun eigen geweten in: tegen God en voor de mensen. Hier in de Kerk is dit niet. Hier neemt God een allesbeheersende plaats in en daardoor mag iedereen er zijn, zijn die hij is, klein of groot, zwak of sterk, lelijk of mooi, knap of dom. Allen zijn opgenomen in de allesomvattende liefde van Christus: "mijn Lichaam voor u."
Nu mag het niet hierbij blijven, maar wat hier in de ordening van de ruimte wordt gesuggereerd: voor God alle plaats en daardoor voor iedereen zijn eigen plaats, wat wij hier vieren wat God aan ons doet: aan iedereen Zichzelf geven, dat moeten wij overnemen en overdragen naar de ruimte van ons eigen leven. God alles: "met geheel uw hart", met heel ons hart, heel ons hart voor God, met geheel uw ziel... Niet eucharistie vieren en dan het gewone leven, maar eucharistie vieren en eucharistie zijn. Geen tweedeling, waarbij de vraag opkomt: Wat is het voornaamste gebod? De heilige mis én het gewone leven? Nee, niets is 'het voornaamste', niets is 'meer' en niets is 'minder'. Zo was het toch ook in het begin: "In het begin schiep God hemel en aarde" (Gen 1,1), samen, hemel en aarde. Dat gebeurt in de eucharistie opnieuw: de hemel, het hemelkoor daalt uit de hemel neer op aarde. Bij de heilige communie vindt er een vereniging plaats van hemel en aarde.