Eerste lezing: 2 Tessalonicenzen 2,1-3a.14-17 [III 243];
Evangelie: Matteüs 23,23-26 [III 244]
Inleiding
'Immer blijken de daden des Heren
', zongen we in het openingslied. Wat blijkt is dat, in de daden van de mensen, in de daden van de geschiedenis, God Zich openbaart. Doorheen het menselijke en het aardse, doorheen het decor van de geschiedenis schrijft een Ander zijn geschiedenis. En dat die ander God is, blijkt uit de ondervindingen, uit de ervaringen van genade en trouw, van barmhartigheid en ontferming. Dat is waarmee wij ook nu bezig zijn: de woorden van mensen, menselijke woorden, blijken voor ons de woorden van God te zijn. Ook zullen we straks brood en wijn nemen, dat zijn de vruchten van de aarde, het werk van mensenhanden, alleen maar menselijk en aards, maar het wórdt voedsel van eeuwig leven.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij zo weinig gevoelig zijn en zo weinig ontvankelijk voor wat de Heer ons wil geven: zijn genade en waarheid.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd sprak Jezus:
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars!
Gij betaalt wel tienden van munt, anijs en komijn,
maar het gewichtigste van de Wet:
rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw verwaarloost ge.
Het ene moet men doen en het andere niet laten.
Blinde leiders, die de mug uitzift en de kameel doorslikt!
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars!
De buitenkant van beker en schotel maakt ge schoon,
maar van binnen zijn ze gevuld met roof en genotzucht.
Blinde Farizeeër,
reinig eerste de beker van binnen,
dan wordt de buitenkant vanzelf rein.
Homilie
Ook vandaag klinkt er weegeroep uit Jezus' mond: "Wee u
" Als we alle weeroepen uit de evangelieteksten van gisteren, van vandaag en die van morgen bij elkaar zouden optellen, komen we op zeven. Zeven is het getal van de volheid, hier de volheid van het kwaad. Jezus laat het kwaad tot zijn volheid uitgroeien om het dan te beantwoorden met de volheid van zijn nog grotere liefde.
Waarom zegt Jezus vandaag in het evangelie "Wee u
"? Niet omdat de Farizeeën en schriftgeleerden tienden betalen van zelfs de kleinste kruiden, want de liefde wil ook het kleinste aan God geven, tienden van zelfs de kleinste kruiden, het ene talent, de twee muntjes (van de arme weduwe), en de vijf broden en de twee vissen. Jezus roept 'wee' omdat ze dat kleine, maar toch o zo goed zichtbare, doen, om aan het grote, de binnenkant, die onzichtbaar is, niets te hoeven doen. Die binnenkant is de liefde in de gestalte van "rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw", zoals Jezus vandaag zegt. In hun zorgvuldig gecultiveerde wetobservantie zoeken zij zichzelf en dat gaat ten koste van waar het in de wet om gaat: rechtvaardigheid, dat is een ander geven waar hij recht op heeft, God geven waar God recht op heeft. Barmhartigheid, dat is een ander méér geven dan waar hij recht op heeft. En trouw, tenslotte, is nog méér dan rechtvaardigheid en barmhartigheid; trouw is rechtvaardig en barmhartig blijven voor wie je hebben laten vallen. Trouw is bestand tegen onrecht en ontrouw. Het is de houding van God tegenover zijn volk, dat vanaf het begin Gods trouw aan het verbond beantwoord heeft met trouweloosheid, denken wij maar aan de aanbidding van het gouden kalf.
De mensen gingen in hun trouweloosheid tot het uiterste. Jezus mocht van zijn hemelse Vader tot het uiterste gaan in zijn trouw: Toen hun boosheid tot het uiterste ging en zij Hem wilden vermoorden, "gaf Jezus hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe" (Joh 13,1). We kunnen deze weeroepen dan ook alleen goed verstaan, wanneer we ons ervan bewust zijn, dat Jezus' Hart tegenover zijn tegenstanders zacht en liefdevol bleef, bereid om zelfs zijn laatste druppel bloed voor hen te vergieten: tot vergeving van hun zonden. Nu Jezus in de woorddienst tot ons diezelfde bereidheid heeft uitgesproken, wil Hij het niet bij woorden laten, maar Zich ook metterdaad aan ons geven, zijn Lichaam en zijn Bloed, tot vergeving van onze zonde van trouweloosheid.