Maandag in de eenentwintigste week
            van het even jaar
                                   Heilige Lodewijk
                   Heilige Jozef de Calasanz, priester
          Heilige Gregorius van Utrecht, abt (Nederland)


Eerste lezing: 2 Tessalonicenzen 1,1-5.11b-12 [III 241];
Evangelie: Matteüs 23,13-22 [III 242]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd sprak Jezus:
“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars!
Gij sluit het Rijk der hemelen af voor de mensen.
Zelf gaat gij er niet binnen,
terwijl gij hun die dit wel willen de toegang verspert.
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars!
Gij doorkruist zee en land om één bekeerling te maken,
maar als hij het geworden is, maakt gij hem tot een hellekind,
tweemaal erger dan gijzelf!
Wee u, blinde leiders, die zegt:
Als iemand zweert bij de tempel, dan betekent dat niets;
maar als iemand zweert bij het goud van de tempel,
dan is hij gebonden.
Dwazen en blinden!
Wat staat dan hoger: het goud of de tempel die het goud heilig maakt?
Of ook: Als iemand zweert bij het altaar, dan betekent dat niets;
maar als iemand zweert bij de offergave die er op ligt,
dan is hij gebonden.
Blinden, wat staat hoger: de offergave
of het altaar dat de offergave heilig maakt.
Wie dus zweert bij het altaar, zweert daarbij
en bij alles wat er op ligt.
En wie zweert bij de tempel, zweert daarbij
en bij Hem die erin woont.
En wie zweert bij de hemel, zweert bij de troon van God
en bij Hem die er op zetelt.”

Homilie  
    

Paulus dankt God voor het geloof van de Tessalonicenzen: "uw geloof groeit krachtig en steeds groter wordt onder u de liefde van allen voor allen." Hoe blijkt dat? Waaraan kon Paulus zien dat hun geloof steeds groter werd? Dat kon hij zien aan hun standvastigheid in de vervolging: dat "uw geloof stand houdt onder al de vervolgingen en verdrukkingen die gij moet verduren." Al in zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen noemde Paulus de standvastigheid het waarmerk van de hoop: "uw werkdadig geloof, uw onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus (1 Tess 1,3), … want gij hebt het woord aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met vreugde van de heilige Geest" (1 Tess 1,6).

In de vervolging en verdrukking kwamen de gelovigen van Thessalonica in aanraking met dezelfde goddelijke kracht die zij al eerder gewaar werden in de verkondiging: "Wij hebben het evangelie verkondigd niet alleen met woorden, maar met kracht en heilige Geest en volle overtuiging" (1 Tess 1,5). Verkondiging met kracht van heilige Geest en geduldig gedragen vervolging omwille van het geloof bracht hen tot dezelfde ervaring van God. Zij voelden zich in de beide situaties opgenomen in de dynamiek van de geschiedenis, beheerst door het reddend ingrijpen van God in Jezus, die de geschiedenis leidt - langs een afgrond - naar een gelukkig einde: "rust en verkwikking, wanneer de Heer Jezus zal verschijnen" (2 Tess 1,7).

God bekommert Zich om de mens. De Tessalonicenzen hebben het gemerkt en hebben zich aan die reddend ingrijpende God overgegeven. Mensen die veel te verliezen hebben, verzetten zich tegen die omwentelende macht van God. Rijke mensen bijvoorbeeld, laten zich niet snel hun menselijke zekerheden afnemen. Dat kunnen materiële zekerheden zijn, zoals geld en goederen; dat kunnen ook geestelijke zekerheden zijn, zoals bij de Farizeeën en de schriftgeleerden. Zij manipuleren de dienst van God tot mensendienst en zo ontdoen zij de godsdienst van de kracht van God. Een voorbeeld: zweren is je woord kracht bijzetten. Die kracht zit niet in het woord zelf, maar in "Hem die zetelt op de troon". Maar bij schriftgeleerden en Farizeeën kon je je van een met een eed bezworen belofte laten ontslaan. Je ging met je eed naar een schriftgeleerde. Je moest hem dan precies zeggen, niet hoe je het bedoeld had, maar hoe je het had uitgesproken, met welke woorden. Had iemand gezworen: 'bij de tempel', dan was hij niet gebonden, maar had iemand gezworen bij het goud van de tempel, dan was hij gebonden. Met een slimme redenering wist men zich van de bindende kracht van God zelf te ontdoen om zo zijn eigen gang te kunnen gaan.

Voor ons bestaat dat onderscheid tussen goud en tempel, tussen altaar en offergave niet meer. Maar dat geeft ons geen recht om op de mensen van toen neer te zien, want voor ons hebben ze allebei aan betekenis ingeboet, zowel God als het altaar. God wordt er helemaal niet meer bij gehaald. Wij voegen ons helemaal niet meer in de dynamiek van Gods reddend ingrijpen in. In onze dagen is God van de wereld en het mensenleven losgemaakt, zodat wij de wereld en het leven voor ons alleen hebben en wij ongehinderd onze eigen gang kunnen gaan. Zo denken we, maar we merken niet dat we dan in een ander krachtenveld terecht komen, de macht van de duivel. Want sinds  de zondeval bestaat er in onze wereld geen neutraal terrein meer. Je bent in de dynamiek van de goede barmhartige God die uit is op je redding, op je heil, zoals Paulus aan de Tessalonicenzen schrijft: "ons optreden was gericht op uw heil" (1 Tess 1,5); óf je raakt in de greep van de Boze en die heeft onze totale ondergang op het oog. Arme mens die niet meer gelooft! Zwak als hij is, is hij dan ook nog overgeleverd aan de macht van de Boze. Maar God is barmhartig: Hij geeft de mens waar hij geen recht op heeft, Hij neemt hem weer op in zijn machtige liefde, zodra hij berouw heeft van zijn dwaasheden.