Marteldood van de heilige Johannes de Doper
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Jeremia 1,17-19
Evangelie: Marcus 6,17-29
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd had Herodes Johannes laten grijpen
en in de gevangenis in boeien geslagen omwille van Herodias,
de vrouw van zijn broer Filippus,
want hij had haar tot zijn vrouw genomen.
Johannes had immers tot Herodes gezegd:
Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.
Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem doden,
maar zij kreeg geen kans,
want Herodes had ontzag voor Johannes.
Hij wist dat hij een rechtschapen en heilig man was,
en nam hem in bescherming.
Telkens wanneer hij hem gehoord had, verkeerde hij in tweestrijd;
maar toch luisterde hij graag naar hem.
Er kwam echter een gunstige dag,
toen Herodes bij zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte
voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, zijn hoofdofficieren
en de vooraanstaanden van Galilea.
De dochter van Herodias trad op met een dans
en zij beviel aan Herodes en zijn tafelgenoten.
De koning zei tot het meisje:
Vraag me wat je wilt en ik zal het je geven.
En hij bevestigde haar met een eed:
Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al is het de helft van mijn koninkrijk.
Zij ging naar buiten en vroeg aan haar moeder:
Wat zou ik vragen?
Deze antwoordde:
Het hoofd van Johannes de Doper.
Zij haastte zich naar de koning en zei hem haar verlangen:
Ik wil dat u mij op staande voet op een schotel
het hoofd van Johannes de Doper geeft.
Dit deed de koning leed,
maar om zijn eed gestand te doen
en ook wegens zijn tafelgenoten
wilde hij haar niet afwijzen.
Terstond stuurde de koning dus een lijfwacht
en gelastte hem het hoofd van Johannes te brengen.
De man ging en onthoofdde hem in de gevangenis.
Hij bracht het hoofd op een schotel
en gaf het aan het meisje;
het meisje gaf het weer aan haar moeder.
Toen zijn leerlingen er van gehoord hadden,
kwamen ze zijn lijk halen
en legden het in een graf.
Homilie
Herodias is als Izebel, de vrouw van koning Achab. Achab wilde de wijngaard van Nabot de Jizreëliet hebben. Die wijngaard lag naast het paleis. Maar Nabot wilde die niet afstaan. Dat stemde de koning somber. "Daarop kwam zijn vrouw Izebel bij hem en vroeg: Waarom ben je toch zo somber gestemd en wil je niets eten? Hij antwoordde: Ik heb Nabot de Jizreëliet verzocht mij zijn wijngaard te verkopen, of als hij dat liever had, te ruilen tegen een andere. Maar hij heeft mij geantwoord: Ik sta u mijn wijngaard niet af. Toen zei zijn vrouw Izebel tot hem: Ben jij nu de man die in Israël de koningsmacht uitoefent? Sta op, eet wat, dan knap je weer op; ik zal zorgen dat je de wijngaard van Nabot de Jizreëliet krijgt. Ze schreef een brief in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel en zond hem aan de oudsten en notabelen die in dezelfde stad woonden als Nabot. In die brief had ze geschreven: Kondigt een vasten af en zet Nabot bij de vergadering van het volk vooraan. Laat dan een paar gemene kerels tegenover hem plaats nemen en hem beschuldigen van godslastering en majesteitsschennis. Voert hem dan buiten de stad en stenigt hem dood. Zodra Izebel vernam dat Nabot doodgestenigd was, zei ze tot Achab: Sta op, neem bezit van de wijngaard van Nabot de Jizreëliet, die hij je niet wilde verkopen, want Nabot is niet meer in leven; hij is dood. Zodra Achab hoorde dat Nabot dood was, begaf hij zich op weg om de wijngaard van Nabot de Jizreëliet in bezit te nemen" (1 Kon 21).
Koningen zijn zwak. Koning Achab is zwak, koning Herodes is zwak. Wij allen zijn zwak. Te zwak om het goede te doen, maar ook te zwak om echt gemene dingen te kunnen doen. Wij zijn echter in de handen van een vijand die wel door en door gemeen is en ook nog over de kracht beschikt zijn gemeenheid uit te voeren. Een niets ontziende tegenstander. Want, zo zegt Ignatius in de Geestelijke Oefeningen: 'De vijand gedraagt zich als een vrouw, in zover hij zwak is tegenover kracht, en krachtig tegenover gematigdheid. Wanneer een vrouw immers ruzie heeft met een man, dan is het haar eigen om de moed te verliezen en te vluchten, wanneer de man krachtig het hoofd biedt. Als de man daarentegen de moed verliest en begint te vluchten, dan zijn de woede, wraak en wreedheid van de vrouw heel groot en zo mateloos! Op dezelfde manier is het de vijand eigen om zwak en moedeloos te worden, wanneer degene die zich in het geestelijke oefent, krachtig het hoofd biedt tegen de bekoringen van de vijand door te doen wat er lijnrecht tegen ingaat, en dan gaat hij met zijn bekoringen op de vlucht. Als daarentegen de persoon die de oefeningen doet, bij het ondergaan van bekoringen vrees begint te krijgen en de. moed begint te verliezen, dan is er op het aanschijn van de aarde geen beest zo wild als de vijand van de menselijke natuur die met zo'n volgroeide slechtheid zijn verdorven bedoeling nastreeft.' (Geestelijke Oefeningen 325)
Johannes is Jezus' voorloper, voorloper in de zin dat hij Hem aanwijst, dat hij als een heraut aan Hem voorafgaat, maar ook voorloper in het slachtoffer zijn. Jezus en Johannes, beiden zijn ze slachtoffer. Jezus was slachtoffer van een gerechtelijke moord. Johannes was het slachtoffer van een machtsdronken koning en van de dans van een lichtzinnig meisje.
Steeds weer heeft men gewezen op de parallel tussen Elia en Johannes de Doper. Elia werd na de triomf van de ware God op de berg Karmel door koningin Izebel vervolgd. Hij slaat op de vlucht, de woestijn in. Daar wenst hij te sterven. Het is duister in hem. Aan alles wanhoopt hij. Zoiets zal er ook wel in Johannes de Doper geweest zijn. Ook voor hem zullen er in de kerker uren geweest zijn, waarin de dood hem liever geweest was dan het leven. Stond hij niet voor een soortgelijke opgave als Elia? Net als Elia moest ook Johannes ervaren, dat God niet in het geweldige en gewelddadige is: "Toen trok de Heer voorbij. Voor de Heer uit ging een zeer zware storm, die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde. Maar de Heer was niet in de storm. Op de storm volgde een aardbeving. Maar ook in de aardbeving was de Heer niet. Op de aardbeving volgde vuur. Maar ook in het vuur was de Heer niet. Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries. Zodra Elia dit hoorde, bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel, ging naar buiten en bleef staan aan de ingang van de grot" (1 Kon 19,11-13).
Johannes verwachtte de Messias als een storm, als een oordeel: "Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen. Hij verwachtte de Messias als een vuur: Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. De wan heeft Hij in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren en zijn tarwe te verzamelen in de schuur, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur (Mt 3,11-12). Toen Johannes in de gevangenis hoorde over de werken van de Christus (weldaden in plaats van gewelddaden), liet hij Hem door zijn leerlingen de vraag stellen: Zijt Gij de Komende of hebben wij een ander te verwachten? (Mt 11,2-3). Want Jezus is zacht en stil, als 'het suizen van een zachte bries.' En is heel de uitstraling van de katholieke liturgie niet zacht en ingehouden en stil? Het geweld van emoties en woordgeweld is ten enenmale vreemd aan de liturgie. Ook dat mogen we zien als een kenmerk van onze God. Wij hoeven geen geweld te gebruiken om zijn aandacht te trekken, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt" (Mt 6,8). In dat vertrouwen leggen wij God onze gebeden en noden voor.