Eerste lezing: 1 Tessalonicenzen 4,9-12
Evangelie: Matteüs 25,14-30
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor:
Het zal met het Rijk der hemelen zijn
als met de man die bij zijn vertrek naar het buitenland zijn dienaars bij zich riep
om hun zijn bezit toe te vertrouwen.
Aan de een gaf hij vijf talenten, aan de andere twee, aan een derde één,
ieder naar zijn bekwaamheid.
Daarna vertrok hij.
Die de vijf talenten gekregen had, ging er terstond mee werken
en verdiende er vijf bij.
Zo verdiende ook degene die de twee gekregen had, er twee bij.
Maar die dat ene had gekregen,
ging een gat in de grond graven en het geld van zijn heer verbergen.
Een hele tijd later kwam de heer van die dienaars terug
en hield afrekening met hen.
Die vijf talenten gekregen had, trad naar voren
en bood nog vijf talenten aan met de woorden:
Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd;
ziehier, vijf talenten heb ik erbij verdiend.
Zijn meester sprak tot hem:
Uitstekend, goede en trouwe dienaar,
over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen.
Ga binnen in de vreugde van uw heer.
Nu trad die van de twee talenten naar voren en zei:
Heer, twee talenten hebt gij mij toevertrouwd;
ziehier, twee talenten heb ik erbij verdiend.
Zijn meester sprak tot hem:
Uitstekend, goede en trouwe dienaar,
over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen.
Ga binnen in de vreugde van uw heer.
Tenslotte trad ook die het ene talent had gekregen naar voren en zei:
Heer, ik heb ervaren dat gij een hard mens zijt,
die oogst waar gij niet gezaaid hebt
en binnenhaalt waar gij niet hebt uitgestrooid.
Daarom was ik bang en ben uw talent in de grond gaan verbergen.
Hier hebt ge uw eigendom terug.
Maar zijn meester gaf hem ten antwoord:
Slechte en luie knecht,
je wist dus dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb
en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid?
Daarom had je mijn geld bij de bankiers moeten uitzetten,
dan zou ik bij mijn komst mijn bezit met rente teruggekregen hebben.
Neemt hem dus dat talent af en geeft het aan wie de tien talenten heeft.
Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden;
maar wie niet heeft,
hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft.
En werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis;
daar zal geween zijn en tandengeknars.
Homilie
De een vijf talenten, de ander twee, een derde één, ieder naar zijn bekwaamheid." De gaven zijn verdeeld. De één bulkt van de talenten, een ander moet het met weinig of niets stellen. Zo zijn wij hier ook verenigd rond het altaar van de Heer. De een kan goed werken met zijn handen, een ander beter met zijn hoofd, een derde heeft de gave van het luisteren of een andere gave. Het zijn echter niet de verschillende gaven die ons met elkaar verbinden, maar het is God, van wie wij onze talenten hebben gekregen en aan wie wij de vruchten daarvan aanbieden: 'Gezegend zijt Gij, God, Heer van hemel en aarde, brood en wijn, de vruchten van de aarde, het werk van onze handen.' Het gaat er niet om wat je voor talenten gekregen hebt, of hoeveel, maar wat je ermee doet. We kennen mensen met veel talenten die er niet zoveel mee doen. Soms komt er wel veel uit hun handen, maar het kost hun weinig of geen moeite. En omdat ze met speels gemak evenveel of zelfs meer tot stand brengen dan mensen met maar weinig talent, die er ook nog de grootste moeite voor moeten doen, is het bijna onvermijdelijk dat mensen met veel talenten het een beetje rustiger aan gaan doen. En als iemand, zoals die man uit de parabel met vijf talenten, er terstond (het 'terstond' van de wonderverhalen) mee aan de slag gaat, mag dat met recht een wonder heten. De heer is dan ook niet zuinig met zijn lof: "Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer."
Dus toch een verdienstengeloof? Een geloof waarbij wij ons eeuwig heil, onze rechtvaardiging zouden kunnen verdienen? Het gaat er in deze parabel inderdaad op lijken alsof wij onszelf zouden kunnen redden. Wanneer iemand met zijn talenten woekert, en de talenten die hij gekregen heeft niet beschouwt als een mooie gelegenheid om het gemakkelijker te hebben dan anderen met minder talenten, als hij het aangrijpt als een kans om er meer goed mee te doen, door er hard mee te werken, door ermee te woekeren, zoals mensen doen die maar een enkel talent hebben, bij zo iemand treedt niet zozeer de werkheiligheid naar voren, als wel een wonder van Gods genade. Het is genade dat mensen die veel hebben en er maar weinig voor hoeven doen, er zo mee woekeren. Ze hoeven zich niet druk te maken, maar ze doen het toch! Waarvoor anders dan voor de ander! Uit liefde, uit loutere zelveloosheid, of uit medelijden met de zwakken.
Zoals de barmhartige Samaritaan: "Hij trad toe op de reiziger halfdood langs de weg, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. De volgende morgen haalde hij twee denariën te voorschijn, gaf ze aan de waard en zei: Zorg voor hem, en wat ge meer mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden" (Lc 10,33-35). Wat deze man deed was: zich moeite geven, zich inspannen, hij woekert met de talenten die hij gekregen had, zijn gezondheid, zijn rijdier, zijn kundigheid en kracht, zijn geld. Alle talenten worden ingezet. Men kan tegenwerpen: Dat deed hij dan toch maar zelf! Ja en nee. Hij kreeg medelijden, met andere woorden: het werd hem ingegeven: "Toen kwam een Samaritaan die op reis was bij hem (in tegenstelling met priester en leviet, die kwamen alleen langs, zagen en liepen door). Nee, hij kwam bij hem, nabij. En toen kreeg hij medelijden: Hij zag hem en kreeg medelijden" (Lc 10,33). Zo zeggen wij dat: kreeg medelijden. We moeten dat letterlijk nemen. Hij kreeg medelijden. Van Wie? Van God. Er kwam een beweging van medelijden van Godswege, door de heilige Geest. God geeft de beweegkracht, de inspiratie. Dat is het werk van God. God doet het werk waardoor alle werken mogelijk worden. Anders doen wij net zoveel als voor onszelf goed en prettig is, zoals het ons uitkomt, we volbrengen onze plichten. Zoals de priester en de leviet. Ze hoefden het niet volgens de wet en de regel. Niemand zou hen erop aan kijken. God gaf ook hen een gevoel van medelijden, maar dat talent stopten zij in de grond. De Samaritaan deed er iets mee.
Als God zijn heiligen beloont, beloont Hij zijn eigen werken. Zo regeert God de wereld: door in de sterken met veel talenten gevoelens van medelijden op te wekken om hun kracht in te zetten voor de zwakken. Jezus is de barmhartige Samaritaan, die alle talenten die Hij van zijn hemelse Vader had gekregen, inzette. Hij heeft Zich moeite gegeven, Zich ingezet. Dat is ons heilig geloof dat wij in de eucharistie vieren. Die verschrikkelijke strengheid: "Werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis" is de keerzijde van zijn barmhartigheid: de mensen die hun talenten niet gebruiken, maar in de grond stoppen, verhinderen zijn plannen van heil.