Dinsdag 22 december 2009
Eerste lezing: 1 Samuël 1,24-28
Evangelie: Lucas 1,46-56


Inleiding      

'Houdt moed, hebt geen vrees, hier is uw God.' Hoe hebben de mensen zich dat eigenlijk voorgesteld, dat God er aankomt als was Hij een mens die je kunt zien aankomen? Want bij de Joden was het toch een geloofszekerheid dat niemand God kan zien, en als iemand God toch gezien had, dan moest hij sterven. Dat is nog steeds ons eigen geloof: de mens moet eerst sterven om God te kunnen zien.
Maar hier gaat het blijkbaar toch samen: het in leven blijven van de mensen en het zien van God, die komt. Het was voor hen niet echt duidelijk hoe dat zou gaan, zoals het voor ons eigenlijk ook niet duidelijk is, en alleen maar mogelijk is in de ontledigde gestalte van het Kerstkind. In dát Kind zien wij God en blijven wij in leven. Maar daarvoor moeten wij dan wel afstand doen van onze pretenties, verlangens, aanspraken, afstand doen van onze eisen, dat wij zo graag een grote God zouden zien, die ons van onze miseries afhelpt. Daaraan moeten wij sterven, maar dan zullen wij Hem ook écht zien, dan zullen wij echt in het Kerstkind God zien.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Bij haar bezoek aan Elisabet sprak Maria:
"Mijn hart prijst hoog de Heer,
Van vreugde juicht mijn geest
om God mijn redder;
daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd.
En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig
omdat Hij die machtig is aan mij zijn wonderwerken deed,
en heilig is zijn Naam.
Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht
voor hen die Hem vrezen.
Hij toont de kracht van zijn arm;
slaat trotsen van hart uiteen.
Heersers ontneemt Hij hun troon,
maar Hij verheft de geringen.
Die hongeren overlaadt Hij met gaven,
en rijken zendt Hij heen met lege handen.
Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken,
gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig
jegens Abraham en zijn geslacht,
gelijk Hij had gezegd tot onze Vaderen."

Nadat Maria ongeveer drie maanden bij haar gebleven was,
keerde zij naar huis terug.

Homilie  

“Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder."
Een uitbarsting van jubelende vreugde bij Maria, en in de tussenzang wordt het danklied van Hanna geciteerd: "De Heer doet mijn hart van vreugde slaan." Het is de vreugde die over iemand komt, wanneer hij gebeden heeft en verkregen naar Gods wil. Een vreugde die alles heeft gekost, die over iemand komt als hij zichzelf heeft overwonnen, als hij iets heeft losgelaten, waarnaar hij met hart en ziel verlangde.

Nu kan het zijn dat men ook wel eens iets krijgt wat men zelf wil, waarbij men zijn eigen wil nog niet heeft losgelaten, dat men gebeden heeft zonder overgave aan Gods wil, niet gebeden heeft naar zijn wil. Maar als men dat dan krijgt, dan komt men ten opzichte van datgene wat men gekregen heeft in een soort kramphouding te staan. Ik heb het gekregen, maar je mag het mij niet meer afpakken. Dat werpt een schaduw over de vreugde om wat men gekregen heeft. Loslaten moet men toch eenmaal. En eigenlijk is men dan ook niet dankbaar. Men heeft het geëist: het is míjn wil, ík wil dat hebben. Men was eigenlijk meer gefixeerd op datgene wat men zo graag wil hebben, dan op de Persoon van wíe men iets zou willen ontvangen. Denkt u maar aan de menselijke verhoudingen. Als iemand iets krijgt, zomaar, gratis en voor niets, onverwacht, als een verrassing, dan is hij daar veel blijer mee dan wanneer hij het eerst had gevraagd. Je zou kunnen zeggen: je kunt in het geven en in het krijgen zaakgericht zijn, betrokken op de zaak, maar je kunt ook persoonsgericht zijn. In de omgang met God hebben de mensen heel dikwijls de neiging om God voor hun eigen karretje te spannen.

Nemen wij het voorbeeld van Hanna. Er staat geschreven: "God had haar schoot gesloten.” Ze was onvruchtbaar en kreeg geen kinderen, “God had haar schoot gesloten." Ze zat er mee en zou het graag anders willen, maar beleefde toch in overgave aan God dat het niet zo was. Ook haar man, Elkana, beleefde het zo, want wanneer Elkana zijn offer opdroeg in Silo om zich neer te buigen voor de Heer van de hemelse legerscharen, gaf hij aan zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters ieder een deel, maar aan Hanna gaf hij nog een extra deel, want Hanna was zijn lievelingsvrouw, hoewel "de Heer haar schoot gesloten hield.” En wanneer Hanna schreide omdat Peninna haar krenkte omdat “de Heer haar schoot gesloten hield”, vroeg Elkana: “Hanna, waarom schrei je? Waarom eet je niet en ben je zo bedroefd? Ben ik voor jou niet meer waard dan tien zonen?" (1Sam 1,8). Hij hield dus niet van haar als de moeder van kinderen, maar hij hield van haar om wie zij was, als deze persoon.

Zo hield God van haar en zo hield Hanna ook van God. Ze smeekte Hem een kind af, niet als iets voor zichzelf, of om bijvoorbeeld met dat kind haar mededingster in het huwelijk met Elkana te kunnen aftroeven, maar als een teken van Gods persoonlijke genegenheid voor haar. Zo smeekte zij ook: "Heer, als Gij omziet naar de ellende van uw dienares en mij indachtig wilt zijn, als Gij uw dienares niet vergeet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn gehele leven aan de Heer afstaan" (1Sam 1,11). Ze vroeg dus niet een kind om de 'heb', of om ervan te genieten, of als een trotse moeder van kinderen, maar zij beleefde het ontvangen van een kind als een teken van Gods persoonlijke welwillendheid voor haar. Daarin bleef zij klein. Ze beschouwde een kind als teken van Gods persoonlijke welwillendheid voor haar in al haar kleinheid.

Toen zij dan ook werkelijk een zoon had gekregen, gaf zij hem de naam Samuël, hetgeen betekent: ik heb hem van de Heer afgesmeekt. Zij had dus veel meer gekregen dan alleen maar een kind, zij had gekregen wat Maria had gekregen, die God dankte "omdat Hij had neergezien op de kleinheid van zijn dienstmaagd." Dát had Hanna gekregen: de welwillendheid van God in haar kleinheid en daarvan was Samuël een teken. Die welwillendheid van God was verbonden aan haar kleinheid, aan haar onvruchtbaarheid, aan haar gebrek en aan haar smadelijke toestand, precies zoals dat was met de genegenheid van Elkana voor haar: Hanna, je bent mij méér lief dan tien zonen. Daarom kon zij ook zeggen wat wij zo-even hoorden in de eerste lezing: "Om deze jongen heb ik gebeden en de Heer heeft mij gegeven wat ik van Hem heb afgesmeekt. Daarom sta ik hem aan de Heer af. Zolang hij leeft blijft hij aan de Heer afgestaan."

Zoals het Hanna verging, zo verging het Maria al net zo, want Maria had de gave van het moederschap van de Verlosser al losgelaten nog voor zij het had gekregen. Van het voorrecht van elk joods meisje, om de moeder te kunnen worden van de Messias, daarvan had zij afstand gedaan. "Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?" (Lc 1,34). En het eerste wat Maria deed, was haar kind opdragen aan God. Dat vieren wij op twee februari. Vader en moeder, Jozef en Maria, stonden hun eersteling af aan de Heer, de eersteling van het mannelijk geslacht, en zo zou het heel haar leven blijven. Steeds weer nam Jezus haar het moederschap af en zij liet het zich afnemen, allereerst al door achter te blijven in de tempel en te zeggen: "Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?" (Lc 2,49).

Jezus bedoelde hiermee te zeggen: Jullie zijn mijn vader en moeder niet. God is de enige van wie Ik ben. Op de bruiloft van Kana zegt Jezus, als Maria Hem zegt dat er geen wijn meer is: "Vrouw, is dat soms uw zaak?” (Joh 2,4). Jezus breekt de relatie af tussen moeder en kind. En als een vrouw uit het volk zegt: “Zalig de schoot die U gedragen heeft en de borsten die U hebben gevoed”, dan relativeert Jezus dat met: “Veeleer zalig die naar het Woord van God luisteren en het onderhouden" (Lc 11,27.28). Steeds weer dat vernederen, of beter gezegd: zijn moeder haar werkelijke plaats aanwijzen. Haar er op wijzen dat het geen natuurlijk moederschap is, maar een moederschap in de heilige Geest, een geestelijk moederschap dat groeit in de vernedering. "Wie zich vernedert zal verheven worden" (Mt 23,12). Geen zelfverheffing, geen eigen wil.

Zo is Maria de moeder van God geworden en zo is zij het gebleven. Dat maakt de reden uit van haar jubelende vreugde. Dat was de vreugde van Hanna, dat was de vreugde van de psalmist van psalm 119, dat was de vreugde van de heiligen, vol jubel om het doen van de wil van God. Als je Gods wil stelt boven je eigen wil, dan word je daar heel blij van. Als je iets doet om God en om God alleen, geeft dat een grote vreugde.