Eerste lezing: 1 Korintiërs 3,18-23
Evangelie: Lucas 5,1-11
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Op zekere dag stond Jezus aan de oever
van het meer van Gennesaret,
terwijl de mensen op Hem aandrongen
om het woord Gods te horen.
Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer;
de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten.
Hij stapte in één van de boten,
die van Simon
en vroeg hem een eindje van wal te steken.
Hij ging zitten
en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk.
Toen Hij zijn toespraak had geëindigd, zei Hij tot Simon:
Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.
Simon antwoordde:
Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd
zonder iets te vangen,
maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.
Ze deden het
en vingen zulk een massa vissen in hun netten,
dat deze dreigden te scheuren.
Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot
om hen te komen helpen.
Toen die gekomen waren,
vulden zij de beide boten tot zinkens toe.
Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei:
Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.
Ontzetting had zich meester gemaakt van hem
en allen die bij hem waren
vanwege de vangst die ze gedaan hadden;
en zo verging het ook Jakobus en Johannes,
de zonen van Zebedeüs,
die met Simon samenwerkten.
Jezus echter sprak tot Simon:
Wees niet bevreesd,
voortaan zult ge mensen vangen.
Ze brachten de boten aan land
en lieten alles achter om Hem te volgen.
Homilie
Jezus prekend vanuit de boot, de menigte voor Hem langs de oever, luisterend naar Hem, het is een beeld van de Kerk: de onderwijzende Kerk en de luisterende Kerk. Jezus hoog opgericht vanuit de boot, in een hiërarchische opstelling, en de menigte vóór Hem: om deze as is de Kerk der eeuwen gebouwd.
Wat trekt die mensen zo aan, dat ze zo op Hem aandrongen? En wat bewoog ons, toen in de dagen van onze eerste ijver ons hart sneller begon te kloppen als we alleen al aan Hem dachten? De aandringende menigte is beeld van een eerste Godservaring: pril, onstuimig, idealistisch, enthousiast, getrokken door zijn Woord. Pril, maar ongezuiverd, vermengd met andere motieven. Want waardoor werd dit eerste élan doorgaans gevoed? Door de schoonheid van de schepping misschien méér dan door de schoonheid van de Schepper? Door onze vitaliteit en jeugdige levenskracht, door het lokken van onvervulde verwachtingen, het geheime, geheimzinnige van het onbekende, door het openbloeien van ons leven, door de achting van de mensen in onze omgeving? Het is niet verkeerd dat al die dingen in onze geloofsovertuiging een rol spelen. Ook een volksgeloof, waarbij heel het volk door voorbeeld en milieu elke enkeling steunt, kan een echt geloof zijn.
Maar in de loop van het leven moeten die onzuivere, of niet helemaal door Hem bepaalde motieven, worden uitgezuiverd. Wat het nu eigenlijk is, wat ons beweegt tot navolging, wordt duidelijk als er van ons echt daden van geloof worden gevraagd. Dan zal blijken of er in die eerste periode van idealisme iets ingeoefend werd van een echtere liefde. Dan zal blijken of die spontane betuigingen van vrome aanhankelijkheid, toen het gebed ons niet lang genoeg kon duren, bezield werden door een diepere communicatie waardoor je echt de Heer zocht omwille van Hem en niet alleen om de gevoelens van troost en vrede die het je gaf.
Na het onstuimige aandringen, het jeugdige idealisme, de vertroostingen van de tijd van onze eerste liefde, vraagt Hij van ons 'naar het diepe te varen' ... "toen Hij zijn toespraak had beëindigd, zei Hij tot Simon: Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst." Eigenlijk was dit maar een vreemd bevel: vissen doe je bij voorkeur 's nachts en als je in de nacht geen vis gevangen hebt, wat kun je dan verwachten bij klaarlichte dag? Een vreemd bevel. Maar zo vreemd kan het eraan toegaan in het menselijk leven. Mensen kunnen zich afvragen: wat verwacht de Heer nog van mij, van ons? Misschien moet iemand zeggen: 'een heel leven heb ik doorgebracht met het sluiten van compromissen, nog nooit heb ik me echt helemaal gegeven, nog nooit heb ik mijn vertrouwen op U alleen gesteld, altijd hield ik nog menselijke zekerheden achter de hand, hoe zou U van mij willen vragen dat ik op gevorderde leeftijd U zou geven wat ik U niet eens gaf, toen ik nog jong was?' Of: 'wat wilt U van onze gemeenschap? We zijn oud, we zijn te moe! Hoe wilt U daar nu nog nieuw leven in blazen? Onze tijd is voorbij. Het is nu de beurt aan een jongere generatie. Slaat U ons maar over met uw pogingen om uw Kerk nieuwe vurigheid te geven.'
'Vaar naar het diepe', 'Duc in altum', dat waren de woorden waarmee paus Johannes Paulus II afscheid nam van het jubeljaar 2000 en het nieuwe, derde millennium inluidde. Het diepe waarnaar de paus de christenheid beval te varen was de eindeloze ruimte van de volgende duizend jaar, wijds als een oceaan, en daarop de Kerk, het scheepje van Petrus, wankelend op het onvaste bestand van het water, met geen andere zekerheid dan het woord van de Petrus van onze dagen, die in Jezus' plaats ons aanmoedigt: 'Duc in altum, vaar naar het diepe.'
Hij vraagt van ons dat we onze scepsis overwinnen en met Petrus zeggen: "op uw woord - omdat U het vraagt - "zal ik de netten uitgooien." Er is niets dat me nog overtuigt, maar omdat U het zegt, ga ik door, geef ik niet toe aan gevoelens van malaise, van mismoedigheid, aan slapheid en het-wel-geloven. Wat Hij van ons vraagt, is niet een daad van wilskracht, van doorzettingsvermogen, maar van trouw, van overgave, van vertrouwen in zijn verbondenheid met ons, zijn geloof in ons. Omdat Hij het is: "Op uw woord."
Wat ons dan gegeven zal worden? Gezondheid, jeugdige vitaliteit, troost, succes? Méér dan dat: Hem te volgen: "Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen." En kijk nu eens hoeveel en hoe ingrijpende veranderingen Hij zomaar teweegbrengt! Een nachtlang vergeefs zwoegen wordt een wonderbare visvangst: de boten gevuld tot zinkens toe. Een naamsverandering: Simon (Lc 5,3-4) wordt Simon Petrus (Lc 5,8). Jezus zelf verandert in de ogen van de leerlingen van meester en rabbi (Lc 5,5) in Heer: "Heer, ga van mij weg (Lc 5,8). Als Jezus anders wordt, word je zelf ook anders: Petrus krijgt in het licht van zijn Heer een totaal nieuw beeld van zichzelf: "Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens (Lc 5,8). Maar Jezus sprak tot Simon: Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen, van visvangers worden ze mensenvangers. Hij gaat met je door, maar op een heel andere manier. Zo gaat het als je je heil niet zoekt bij de gedachten van de wijzen, waarvan God weet hoe waardeloos ze zijn, maar als je je heil zoekt bij Christus: gij zijt van Christus en Christus is van God" (1 Kor 3,20-23).