Zaterdag in de tweeëntwintigste week
            van het even jaar
                               
Eerste lezing: 1 Korintiërs 4,6-15
Evangelie: Lucas 6,1-5


Inleiding  

'Fonteine Moeder, maghet reine'. Uit de fontein komt water omhoog uit de aarde, waar er nog geen vermenging is met iets van de omgeving. Uit de bron komt het omhoog. Uit die bron komt zuiver water, zoals je nergens ter wereld hebt. 'Fonteine moeder, maged reine'. Bronwater, dat is in bij onze op gezondheid en zuiverheid ingestelde samenleving, maar dit is zuiverheid van een andere soort, van een hemelse soort. Hemelse zuiverheid! Dat is ongelooflijk, dat is het ongelooflijke wonder van Gods genadeorde. Het komt van buiten, maar het komt ook van binnen. Het komt ook van onze aarde. Er is een schepsel, door God gemaakt, waarin Gods genade zuiver omhoog borrelt in onze wereld. Maria is immers onbevlekt van hart.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Eens ging Jezus op een sabbat door korenvelden
en om te eten plukten zijn leerlingen aren,
die ze met hun handen uitwreven.
Sommige Farizeeën vroegen:
“Waarom doet ge iets dat op sabbat niet mag?”
Jezus gaf hun ten antwoord:
“Hebt ge dan niet gelezen wat David deed,
toen hij en zijn metgezellen honger kregen?
Hoe hij het huis van God binnenging,
de toonbroden nam en opat
en er ook van gaf aan zijn metgezellen,
terwijl toch alleen de priesters daarvan mogen eten?”
En Hij voegde er aan toe:
“De Mensenzoon is Heer van de sabbat.”

Homilie  

“Waarom doet ge iets dat op sabbat niet mag?"
Aren plukken mocht volgens de Farizeeën niet op sabbat. Volgens de wet was het toegestaan aren met de hand te plukken: "Wanneer ge door een korenveld van uw naaste komt, moogt ge wel met de hand aren plukken, maar niet de sikkel slaan in het te velde staand gewas" (Deut 23,26). Volgens de opvatting van de schriftgeleerden is het een van de negenendertig op sabbat verboden werken. Ze beschouwden het als een vorm van oogstarbeid. Jezus neemt zijn leerlingen in bescherming: ze hebben honger en de heilige Schrift geeft zelf een voorbeeld dat een heilig verbod gebroken wordt. David bijvoorbeeld, deed dat met de toonbroden, voorbehouden voor het levensonderhoud van de priesters. Toen hij en zijn metgezellen honger hadden, at hij ervan en gaf er ook van aan zijn metgezellen. Zoals David voor zijn metgezellen zorgde, zo doe Ik het voor mijn leerlingen, mijn Kerk. Trouwens, zo schijnt Jezus te hebben willen zeggen, de vergelijking met David, de koning, is geen onrechtmatige pretentie: want méér dan David is hier: "De Mensenzoon is Heer van de sabbat."

Zoals de sabbat van Jezus is, zo moeten ook de mensen van de Kerk in Korinte weten, dat zij helemaal van Hem zijn: "Wat heb je, wat je niet gekregen hebt?” (1 Kor 4,7). Je moet dus niet de een tegen de ander uitspelen zoals er onder jullie gedaan wordt: “ik ben van Apollos, ik ben van Paulus, ik ben van Kephas.” De apostelen weten zich in de dienst van God gesteld: “Zo moet men ons dus beschouwen: als helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen" (1 Kor 4,1). Dus heeft ook de gemeente met God te maken, niet met mensen. Niet de mensen laten de Kerk groeien, maar God (1 Kor 3,7).

Bovendien moeten jullie weten, dat we er nog niet zijn, we zijn nog onderweg. Mensen zoals de apostelen, die zich engageren met de Kerk, hebben heel wat van anderen te lijden: minachting, honger en dorst, naaktheid, slaag, dakloosheid, afmattende handenarbeid. Laten we dus de rijen sluiten in plaats van verdeeldheid te zaaien. Wij zijn de Kerk van Jezus, ook in de manier waarop we de minachting en de slagen te ontvangen: met zegen, met minzaamheid, met geduld. Petrus tekent Jezus' geduldige houding uit in zijn eerste brief: "Als Hij gescholden werd, schold Hij niet terug. Als men Hem leed aandeed, uitte Hij geen dreigementen. Hij liet zijn zaak over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. In zijn eigen lichaam heeft Hij onze zonden op het kruishout gedragen" (1 Pe 2,23-24). Zolang we nog niet bij God zijn, geeft God ons in onze beproevingen deel aan zijn goddelijk geduld.