Zaterdag in de tweeëntwintigste week
             van het oneven jaar

Eerste lezing: Kolossenzen 1,21-23  
Evangelie: Lucas 6,1-5


Inleiding  

'Maria mild en goed.' Mild, dat betekent er is een heleboel van, er is een onuitputtelijk voorraad van, maar waarvan? 'Mild en goed.' Het is een onuitputtelijke voorraad van goedheid. Het is een bron, die wij hier vieren. Zij gaf Jezus het leven: 'die Jezus gaf het leven'. Dat is een geheim dat zich in heel de geschiedenis van de mensheid, van de christenheid voortzet. Maria blijft in de eucharistie het leven geven aan Jezus. Zij is hier op dezelfde manier tegenwoordig als Jezus zelf. Het geheim van zijn werkelijke tegenwoordigheid is ook het geheim van de werkelijke tegenwoordigheid van Maria. Zij heeft, net als Jezus, gedragen aan onze zonden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Eens ging Jezus op een sabbat door korenvelden
en om te eten plukten zijn leerlingen aren,
die ze met hun handen uitwreven.
Sommige Farizeeën vroegen:
“Waarom doet ge iets dat op sabbat niet mag?”
Jezus gaf hun ten antwoord:
“Hebt ge dan niet gelezen wat David deed,
toen hij en zijn metgezellen honger kregen?
Hoe hij het huis van God binnenging,
de toonbroden nam en opat
en er ook van gaf aan zijn metgezellen,
terwijl toch alleen de priesters daarvan mogen eten?”
En Hij voegde er aan toe:
“De Mensenzoon is Heer van de sabbat.”

Homilie  

“Eens ging Jezus op een sabbat door de korenvelden en om te eten plukten zijn leerlingen aren, die ze met hun handen uitwreven."
Dat hoorde zo bij hun leven. De ene keer werden ze overladen door de hartelijke gastvrijheid van de vrienden van Jezus en ontbrak het hun aan niets, dan weer waren het Jezus' handen die door de zegen van zijn hemelse Vader een hele menigte te eten gaven, en dan weer was het hongeren. Ze leefden van de hand in de tand. Ze leefden uit Vaders goddelijke hand, ze leefden van wat de natuur hun verstrekte, van wat hun vrienden hun gaven, van wat de Zoon van de Vader hun gaf. Het was altijd dezelfde Vader uit wiens voorzienige zorg zij leefden en in wiens hartelijke zorgzaamheid zij deelden. En Jezus leerde hun dat. Het had iets van een idylle: Jezus met zijn leerlingen onder de onmiddellijke zorg van zijn Vader, die hun door de natuur te eten gaf. Die eenheid van Geest is het geheim van ons geloof. Jezus en zijn leerlingen in eenheid van Geest met de Vader verbonden.

Maar ineens wordt die fijne stemming doorbroken. "Waarom doet ge iets wat op sabbat niet mag?" Eten mag wel op sabbat, maar eten bereiden mag niet. De Joden zorgen ervoor dat zij alles klaar hebben staan voordat de sabbat begint. En de leerlingen bereidden het eten doordat zij de aren die ze wilden opeten eerst met hun handen stukwreven. Mensenwet. Weg goede sfeer. Gelukkig nam Jezus het voor hen op. "De Mensenzoon is Heer van de sabbat."

Zo gaat het in het evangelie en zo gaat het in de Kerk. Een aantal jaren geleden waren er op de wereldjongeren dagen twee miljoen jongeren bijeen met paus Johannes Paulus II. 'John Paul II, we love you.' Wat een stemming! Niet van deze wereld. Ze werden boven zichzelf uitgeheven. En dan daarop die sfeerbedervende opmerkingen: 'persoonsverheerlijking', 'mag niet', 'foute boel'. Maar de paus nam het voor zijn jongeren op, zoals Jezus voor zijn leerlingen. 'Voor wie komen jullie? Voor wie zijn jullie hier gekomen?' 'Voor Christus.' En toen de twee miljoen scandeerden: 'John Paul II, we love you', scandeerde hij: 'John Paul II, I love you!'

Een eenheid in liefde, een eenheid in de heilige Geest. Eén lichaam, één Geest. Maar de wereld begrijpt dat niet. Deze dingen kunnen alleen beoordeeld worden in het licht van de Geest. En daar sta je dan. Het grote, broze geheim in je handen en in je hart. Het contemplatieve leven, een geheim van God. Een gewoon menselijk leven gewijd aan de liefde van God. Daar is een voortdurende worsteling met de geest van de wereld. Soms moet je het opnemen tegen je familieleden, tegen je vrienden, collega's, mensen van buiten. Maar het moet ook steeds op jezelf bevochten worden. Die grote, schone, bovenmenselijke geheimen, die er zijn in je eigen hart. Ze zijn o zo broos, o zo teer.

Jezus gaat door, hier in het heilig Sacrament, maar ook in je eigen hart en in het sacrament van je broeders en zusters. Ook daar zijn er twee soorten geesten. Enerzijds de geest van alles willen doen in vereniging met Hem, niet alleen het spreken met de tong vermijden, maar ook de stilte van het hart beoefenen. En anderzijds de geest van: 'Alles goed en wel, maar ik laat me de kaas niet van mijn brood eten.' 'Er zijn grenzen.' 'Gehoorzaamheid is goed, maar ik heb ook rechten.' 'Gebed is goed, maar het werk moet wel doorgaan, je moet wel op tijd komen.' En zo al die dingen, die voortdurende sfeerbedervende opmerkingen, tegenstrevingen waar de Geest met zijn zachte kracht tegen moet optreden. Laat je het geheim van je hart niet ontroven door die sfeer- en geestbedervende opmerkingen en tegenbewegingen van wie of wat dan ook!