Vrijdag in de drieëntwintigste week
            van het even jaar
                          Heilige Naam van Maria


Eerste lezing: 1 Korintiërs 9,16-19.22b-27 [III 273];
Evangelie: Lucas 6,39-42 [III 274]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor:
“Kan soms de ene blinde de andere leiden?
Vallen dan niet beiden in de kuil?
De leerling staat niet boven zijn meester;
maar hij zal ten volle gevormd zijn
als hij is gelijk zijn meester.
Waarom kijkt ge naar de splinter in het oog van uw broeder
en slaat ge geen acht op de balk in uw eigen oog?
Hoe kunt ge tot uw broeder zeggen:
Broeder, laat mij de splinter uit uw oog halen,
terwijl ge de balk in uw eigen oog niet opmerkt?
Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog,
dan zult ge scherp genoeg zien
om de splinter te kunnen verwijderen
die in het oog van uw broeder zit.”

Homilie      

Niet oordelen, wat is dat moeilijk! Je ziet om je heen dat anderen zwakker zijn dan jij, je ziet ze fouten begaan, je ziet hun ondeugden, hun onverbeterlijke gebreken. En dan toch niet oordelen!? Niet kwaadspreken, akkoord; niet lichtvaardig oordelen, natuurlijk; maar helemaal niet oordelen, zelfs niet denken over een ander, tenzij om de ander te sparen, tenzij om wat hij doet of zegt goed uit te leggen!?

Niet oordelen zou betekenen dat je, als je iemand iets verkeerds ziet doen, niet denkt: 'dat zou ik nooit doen.' Of: 'valt die even uit zijn rol!' Of: 'die houdt anders de schijn ook maar hoog'; of: 'gelukkig dat ik niet zo ben', in de geest van het gebed van de Farizeeër: "God, ik dank U, dat ik niet zo ben als de rest van de mensen" (Lc 18,11).

Niet oordelen betekent ook dat je, bij wat je van een ander ziet, geen negatief oordeel over jezélf velt: 'Wat gaat hem of haar dat goed af; ik wou dat ik dat zo kon'; of: 'dat kan ik nooit, het is mij nog nooit gelukt.' 'Waarom hij wel en ik niet?' 'Waarom heb ik het zo slecht getroffen met mijzelf?' 'De anderen ja, de vlotte praters, de beheersten, de trefzekeren, de evenwichtigen, die zich altijd in de hand hebben, de gelijkmatigen en al die andere talenten die anderen hebben …' Kortom, mensen met minderwaardigheidsgevoelens mogen van Jezus zich ook niet door hun minderwaardigheidsgevoel laten leiden tot een oordeel van: ik bén ook minder.

Omdat dat niet oordelen zo moeilijk is, geeft Jezus ons een drietal vergelijkingen die ons kunnen helpen onze neiging tot oordelen te matigen:

1. vergeet niet dat je zelf ook maar een blinde bent: "Kan soms de ene blinde de andere leiden? Vallen dan niet beiden in de kuil?"
2. Je zou een ander misschien de les willen lezen? Weet dan: "De leerling staat niet boven zijn meester, maar hij zal ten volle gevormd zijn als hij is gelijk zijn meester." Bedissel een ander niet alsof je zelf een meester was.
3. Kijk voor de splinter in het oog van je broeder niet voorbij aan de balk in je eigen oog.

De drie gelijkenissen willen ons brengen tot een klein zelfbesef: je bent zelf blind, nog maar een beginneling, iemand met een balk in zijn oog. 'Als iemand denkt, dat hij wat voorstelt, is hij niet veel waard. Heeft iemand een hoge dunk van zichzelf, dan heb je helemaal niets aan hem' (Ignatius van Loyola).

Hoe anders is Paulus! Hij weet zich een uitverkorene, een apostel, iemand die de Heer gezien heeft. Aan zijn apostelambt kan hij bepaalde rechten ontlenen: loon, een christenvrouw te nemen, maar hij heeft daarvan afgezien, want het evangelie van de vrije genade moet op een genadevolle, gratuite wijze bediend worden. En hij zou "liever sterven dan zich die roem te laten ontnemen!” Hij is zoals Christus: “Met de zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen.  Alles ben ik voor allen, om er tot elke prijs enkelen te redden."