Dinsdag in de drieëntwintigste week
           van het even jaar
                    Heilige Petrus Claver, priester


Eerste lezing: 1 Korintiërs 6,1-11 [III 267];
Evangelie: Lucas 6,12-19 [III 268]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die dagen ging Jezus naar het gebergte om te bidden
en bracht daar de nacht door in gebed tot God.
Bij het aanbreken van de dag riep Hij zijn leerlingen bij Zich
en koos er twaalf uit,
aan wie Hij tevens de naam van apostel gaf:
Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf,
diens broer Andreas,
Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeus,
Matteüs, Thomas, Jakobus de zoon van Alfeüs,
Simon met de bijnaam 'IJveraar',
Judas de broer van Jakobus
en Judas Iskariot, die een verrader werd.
Samen met hen daalde Hij af,
maar bleef staan op een vlak terrein.
Daar bevond zich een talrijke groep van zijn leerlingen
en een grote volksmenigte uit heel het Joodse land,
uit Jeruzalem en uit het kustland Tyrus en Sidon;
zij waren gekomen om Hem te horen
en van hun kwalen genezen te worden.
En die gekweld werden door onreine geesten vonden genezing.
Heel die menigte deed pogingen Hem aan te raken,
want er ging van Hem een kracht uit die allen genas.

Homilie      

“In die dagen ging Jezus naar het gebergte om te bidden en bracht daar de nacht door in gebed tot God. Bij het aanbreken van de dag riep Jezus zijn leerlingen bij Zich en koos er twaalf uit, aan wie Hij tevens de naam 'apostel' gaf."
Wat doet die vermelding van het gebed van Jezus in dit verhaal? En nog wel met zoveel nadruk: een nacht lang gebed. Jezus op de berg in gebed is niet zozeer de individuele bidder als wel de bidder van het volk, net als Mozes op de berg: "Mozes ging de berg op naar God. Toen Hij boven was, sprak de Heer hem daar aan en zei: Dit moet gij zeggen tot het huis van Jakob en doen weten aan de zonen van Israël” (Ex 19,3-4). “Mozes kwam terug van de berg en stelde het volk in kennis van alle woorden en bepalingen van de Heer. Eenstemmig betuigde het volk: Alle woorden die de Heer tot ons gesproken heeft, zullen wij onderhouden" (Ex 19,7-8).

Het gaat niet zozeer over de biddende Jezus als wel over de kiezende en roepende Jezus. Niet zozeer over het gebed, waarmee Jezus alle belangrijke gebeurtenissen begeleidt en dus ook de apostelkeuze, als wel over het apostolaat dat hier aan Jezus' gebed wordt opgehangen. Het gebed staat niet in het middelpunt van dit evangelie, maar aan het begin ervan om te wijzen op de door God zelf geïnspireerde, goddelijke, oorsprong van het apostolaat. Jezus' gebed in de nacht op de berg geeft een goddelijke dimensie aan het apostolaat en maakt zo de apostelkeuze uitdrukkelijk en aanschouwelijk tot een goddelijke roeping. Dat Jezus eerst tot God opklimt, betekent dat de apostelkeuze erna van God afkomstig is. Daarom kan er in de Handelingen van de apostelen worden gezegd dat Jezus hen "door de heilige Geest had uitgekozen" (Hand 1,2). De instelling van het apostelcollege en het apostolaat, evenals de werkzaamheid van de apostelen, is iets goddelijks. Zoals Jezus Gods "uitverkorene" is (Lc 9,15), zo wordt de apostel door God "uitverkoren" (Hand 1,24), om zoveel als een andere Jezus te zijn. Zij worden in dit evangelie in Jezus' Godservaring opgenomen: omhoog geroepen om te delen in Jezus' Godservaring, om eerst dan samen met Hem Gods genadevolle toewending naar de wereld mee te nemen in de afdaling: "Samen met hen daalde Hij af."

Om de wereld te kunnen heiligen moeten zij eerst zelf geheiligd worden, afgezonderd uit de 'wereld', zoals dat ook gebeurd was bij de Korintiërs. De wereld waaruit zij waren weggeroepen was de wereld van een havenstad, waar enkelingen van overal als het ware waren aangespoeld, losgebroken uit hun eigen milieu met haar beschermende tradities en normen, niet langer gedragen door hun eigen gemeenschappen. Daar in de havenstad Korinte leidden zij een chaotisch leven: "hoerenlopers, afgodendienaars, echtbrekers, schandknapen, knapenschenders, dieven, gierigaards, dronkaards, lasteraars, oplichters" (1 Kor 6,9). Net als de apostelen zijn zij een nieuwe gemeenschap gaan vormen, een heilige gemeenschap, door God geheiligd. Maar als zij doorgaan met de levenswijze van de heidenen, dan "zullen zij het koninkrijk Gods niet erven.” In plaats van te procederen tegen een broeder van wie zij onrecht hebben verduurd, moeten zij als geheiligden de voorkeur geven aan een onrechtvaardige behandeling: “liever onrecht te lijden, liever u te laten benadelen."

Zoals Jezus: zijn hoogheid bestaat erin Zich benaderbaar te maken voor de kleinen en zwakken: "Heel die menigte deed pogingen Hem aan te raken, want er ging van Hem een kracht uit die allen genas." Dat is de goddelijke kracht waaruit Hij boven op de berg in zijn gebed had geleefd en die de Vader nu door Jezus en zijn apostelen aan heel de wereld ter beschikking wil stellen. Dat is de kracht van het brood, dat wij nu mogen nuttigen om niet onderweg te bezwijken, zwak als wij zijn zonder Hem.