Eerste lezing: 1 Korintiërs 7,25-31
Evangelie: Lucas 6,20-26
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd sloeg Jezus zijn ogen op,
keek zijn leerlingen aan en sprak:
Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods.
Zalig die nu honger lijdt, want gij zult verzadigd worden.
Zalig die nu weent, want gij zult lachen.
Zalig zijt gij,
wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten,
wanneer zij u uitstoten, u beschimpen
en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks.
Als die dag komt, spring dan op van blijdschap,
want groot is uw loon in de hemel.
Op dezelfde manier behandelden hun voorvaderen de profeten.
Maar wee u, rijken,
want wat u vertroost, hebt ge al ontvangen.
Wee u, die nu verzadigd zijt, want ge zult honger lijden.
Wee u, die nu lacht, want ge zult klagen en wenen.
Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken,
want hun voorvaderen deden hetzelfde met de valse profeten.
Homilie
Wat apostolaat is, weten we uit de plaats van zijn ontstaan: boven op de berg, waar Jezus de nacht lang tot God zijn Vader gebeden had. Apostolaat komt van God, is een goddelijke instelling. Maar zo is het ook met de zaligsprekingen. Ze worden door Jezus gesproken nadat Hij samen met zijn apostelen van de berg was afgedaald: "Samen met hen daalde Hij af." Jezus gaat niet zomaar naar mensen, gaande van A naar B, binnen een horizontaal vlak, maar Hij komt van boven. Hij komt van boven en de Kerk daalt samen met Jezus van boven af naar beneden, lager en lager, voorbijgaande aan de gewone, gave en welvarende menselijkheid en medemenselijkheid, voorbij aan de verzadigden en verzaligden, voorbij aan de lof van de mensen. Jezus en de Kerk dalen af naar de ongave, onverzadigde, geschonden christelijkheid; om de armen zalig te prijzen, niet omdat zij arm zijn, maar omdat de armoede hen ontvankelijk maakt voor de gave van God. Het evangelie komt met iets anders dan waarmee wij elkaar geluk toewensen, iets anders dan wat ons verzadigt en verzaligt.
Dus moeten we de zaligsprekingen niet alleen hóren, maar heel de beweging meemaken, hoe ze van hoog komen, om ze van daaruit, in de hoogte, bij God, als de gave van God in de hoogte te ontvangen en dan te zien hoe ze afdalen naar de arme, ontvankelijke mens. Het is de rijkdom van God die aan de armen wordt gegeven. De kracht en de rijkdom van God, op de berg ervaren, wordt in de diepte te werk gesteld. Daarbij is het niet zozeer onze liefde tot elkaar die wij preken, maar de liefde van boven die ons allen omvat. Zo groot en zo rijk is God. Armoede op zich genomen is grievend, vernederends en kwetsend, het is onheil. Maar ben je leerling van Jezus, draag je je armoede omwille van Hem, heb je je zelfs arm gemáákt om Hem te volgen, dan wordt de armoede je tot volmaaktheid, geen wettische volmaaktheid, maar de volmaaktheid van de overgave aan God.
Zo is het met de armen, met de hongerenden, de wenenden, de vervolgden, met allen die om Christus' wil alles verlaten hebben. Zij zullen verzadigd worden. En nu dan? Krijgen ze nu dan niets? Jawel, ze krijgen nu al God. Denken we maar aan Titus Brandsma in zijn koude cel in de Scheveningse gevangenis:
'Want Gij, o Jezus, zijt bij mij,
ik was u nimmer zo nabij.
Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet,
Uw bijzijn maakt mij alles goed.'
Armoede wordt rijkdom, gevangenschap wordt beleving van innerlijke vrijheid, eenzaamheid wordt zaligheid, zelfs 'zalige eenzaamheid' genoemd, 'enige zaligheid'. Kortom, alles wordt anders. Ook de tijd wordt anders: "De tijd is kort geworden", zegt sint Paulus. Objectief gezien is de tijd altijd even lang of kort. Een uur duurt zestig minuten, een minuut zestig seconden en vierentwintig uren maken het etmaal vol. Daar komt nooit verandering in, zolang de tijd duurt. Maar in de beleving kan tijd langer of korter duren: 'toen vlogen de uren voorbij' of 'de minuten leken wel voorbij te krúipen'. Sinds Christus is de beleving van de tijd kort geworden. Want de geschiedenis is als een lange gang. Heeft die gang geen einde, dan lijkt ze eindeloos lang, onverschillig op welk punt je in die gang staat, aan het begin of een eind verderop. Maar staat er nu aan het einde van die gang een persoon, niet een gewoon menspersoon, maar een boven alles beminnelijke gestalte, dan lijkt die lange gang kort. Heel die lange afstand schrompelt ineen. Het spreekwoord vat die ervaring samen: 'Angst en hoop maken de lijnen kort'. In de alleroudste tijd van het christendom was de hoop op de wederkomst van de Heer een boven alles aantrekkende gedachte. Dat maakte in het besef van de christenen de geschiedenis kort.
Daardoor wordt ook alles wat er onderweg gebeurt, gerelativeerd. Paulus zegt van het huwelijk: "huwen is goed, maar zulke mensen halen zich kommer en zorg op de hals. Wie niet getrouwd is, heeft zorg voor de zaak des Heren, hoe hij de Heer kan behagen
Het gaat mij alleen (bij gehuwden en bij ongehuwden) om een onverdeelde toewijding aan de Heer (1 Kor 7,35). Maar Paulus ziet en passant nog gelegenheid wat andere dingen te relativeren: laten daarom zij die een vrouw hebben, zijn als hadden zij ze niet; zij die wenen, als weenden zij niet; zij die zich verheugen, als waren zij niet verheugd; zij die kopen, als werden zij geen eigenaar. Kortom, zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan; want de wereld die wij zien gaat voorbij."
Een nieuwe wereld staat op aanbreken. Ja, in het hart van de gelovigen ís die nieuwe wereld al aangebroken. En Jezus, die eens zal komen, geeft nu al acte de présence in de eucharistie. Als wij werkelijk beseffen dat de Heer van de geschiedenis vooruitloopt op die ontmoeting aan het eind van de geschiedenis, begint ons hart sneller te kloppen.