Eerste lezing: Kolossenzen 3,12-17
Evangelie: Lucas 6,27-38
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Tot u die naar Mij luistert zeg Ik:
Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten,
zegent hen die u vervloeken
en bidt voor hen die u mishandelen.
Als iemand u op de ene wang slaat,
keert hem ook de andere toe;
en als iemand uw bovenkleed van u afneemt,
belet hem niet ook uw onderkleed te nemen.
Geeft aan ieder die u iets vraagt,
en als iemand wegneemt wat u toebehoort, eist het niet terug.
Zoals gij wilt dat de mensen u behandelen,
moet gij het hun doen.
Als gij bemint wie u beminnen
wat voor recht op dank hebt ge dan?
Ook de zondaars beminnen wie hen liefhebben.
Als gij weldoet aan wie u weldaden bewijzen,
wat voor recht op dank hebt ge dan?
Dat doen de zondaars ook.
Als gij leent aan hen van wie ge hoopt terug te krijgen, wat voor
recht op dank hebt ge dan?
Ook de zondaars lenen aan zondaars
met de bedoeling evenveel terug te krijgen.
Neen, bemint uw vijanden, doet goed en leent uit zonder er op
te rekenen iets terug te krijgen.
Dan zal uw loon groot zijn,
dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste,
die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten.
Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is.
Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden;
veroordeeld niet, dat zult ge niet veroordeeld worden;
spreekt vrij en ge zult vrijgesproken worden.
Geeft, en u zal gegeven worden;
een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat
zal men u in de schoot storten.
De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.
Homilie
Tot u die naar Mij luistert, zeg Ik: Bemint uw vijanden." De bergrede richt zich tot de leerlingen van Jezus. Deze woorden beschouwt de Kerk gesproken tot zichzelf, als een charter, een handvest voor haar eigen leden, voor de onderlinge verhoudingen. Daar gelden heel eigen rechtsregels, andere regels dan onder de zondaars, de tollenaars en de heidenen. Dezen hebben hun eigen omgangsvormen: "Groeten die u groeten, beminnen die u beminnen." Maar blijkbaar komen er in de groep leerlingen van Jezus dezelfde soort situaties voor als buiten de groep rond Jezus. Want iedereen denkt bij: "Bemint uw vijanden" wel spontaan aan de vijanden van de christenen, aan degenen die de christenen haten en mishandelen, maar dan komen al die christenen die geen vijanden hebben er wel heel gemakkelijk vanaf, laat staan dat ze vijanden zouden hebben die hen mishandelen. Natuurlijk is ook bedoeld de liefde voor de vijanden van de christenen, maar op de eerste plaats worden de vijanden binnen de eigen groep bedoeld. Zoals het ook de mensen binnen de eigen groep zijn aan wie de christenen hun weldaden bewijzen en ze niet alleen moeten reserveren voor degenen die weldaden terug kunnen geven. Ook geleend wordt er allereerst binnen de groep.
Heeft Jezus het dan in eerste instantie over toestanden binnen de groep van zijn leerlingen, als Hij spreekt over vijanden die haten, vervloeken, mishandelen, je op de wang slaan, je bovenkleed afnemen!? Wat zijn dat voor toestanden onder christenen? Ook als we Paulus horen, vormen de eerste christenen allesbehalve een ideale groep mensen. Hij spreekt tenminste over ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid, geduld; verdraagt en vergeeft elkander als de een tegen de ander een grief heeft. Maar dat is toch onmogelijk, je vijanden beminnen, weldoen aan je haters! Dat is toch wereldvreemd, en in onze dagen van toenemende agressie vreemder dan ooit. Las ik laatst niet dat de preek van Martin Luther King, waarin hij op profetische wijze een vredige samenleving voorspelde en daartoe opriep, in onze dagen alleen maar kan worden gezien als de wensdroom van een naïeve en halfzachte illusionist? Wat mensonmogelijk is, is nog niet Godsonmogelijk. Het evangelie is vol van dit soort onmogelijkheden.
Nieuw leven uit een dode schoot. Het is onmogelijk, het idee alleen al maakte Sara aan het lachen. Maar God weet beter: "is er dan iets te moeilijk voor Jahweh?" (Gen 18,12.14). Een kameel door het oog van de naald - een rijke in het koninkrijk der hemelen. Twee menselijke onmogelijkheden. "Wie kan er dan nu eigenlijk nog gered worden?" Maar Jezus antwoordt: "Dit ligt niet in de macht der mensen, maar voor God is alles mogelijk" (Mt 19,25-26). Je vijanden beminnen - alles wat ons vijandig is beminnen, lichamelijke en psychische kwalen inbegrepen, alles wat je bedreigt beminnen? Datgene of degene, die het op je gemunt heeft beminnen, degenen die je een minder goede naam bezorgen? Hoe kan dat? En toch, het zit erin, het zit in één van ons. Van ons wordt gevraagd: "bemint uw vijanden - doet wel aan die u haten." Van Jezus heet het, dat Hij ons heeft bemind toen wij nog zondaars waren: God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren (Rom 5,8). Wij krijgen te horen: Bidt voor hen die u mishandelen (Lc 6,28). Van Jezus staat er geschreven: Toen zij op de plaats kwamen die Schedel heet, sloegen zij Hem daar aan het kruis, en zo ook de misdadigers, de een rechts de ander links. En Jezus zei: Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen" (Lc 23,33-34).
Wij worden vermaand: "Als iemand u op de ene wang slaat, keer hem dan ook de andere toe (Lc 6,29). Maar over Jezus sprak de profeet: Mijn rug bied Ik hun, die Mij slaan, mijn wangen, die Mij de baard uitrukken (Jes 50,6). Van ons wordt gevraagd: Als iemand u uw bovenkleed afneemt, belet hem niet ook uw onderkleed te nemen (Lc 6,29). Over Jezus staat er: Toen de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen ze zijn kleren en deelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel. Ze namen ook de lijfrok, die echter zonder naad was, aan één stuk geweven van bovenaf. Daarom zeiden ze tot elkander: laten we die niet scheuren, maar erom loten wie hem krijgt (Joh 19,23-24). Ons wordt voorgehouden: Geeft aan ieder die u iets vraagt, en als iemand wegneemt wat u toebehoort, eis het niet terug (Lc 6,30). En van Jezus staat er: Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft Zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft Zichzelf ontledigd door het bestaan van een dienstknecht op Zich te nemen en aan de mensen gelijk te worden" (Fil 2,6-7).
Het zit er dus in: in één van ons zit het erin. En daarom zit het er ook voor ieder van ons in. Het zit er zelfs niet alleen in, er zit niets anders op! Het lukt ons niet om ons bestaan op een andere manier gelukkig te maken. Je kunt het wel anders, maar dan zul je proefondervindelijk constateren, dat je er minder gelukkig van wordt. Je kunt proberen met berusting, in een soort fatalisme de dingen over je heen te laten komen, je kunt het proberen met onverschilligheid, door je hart gevoelloos te maken, of met opstandigheid of met agressie: oog om oog, tand om tand. Maar je zult merken, hoe je het ook aanlegt, het gaat altijd met onvrede gepaard. Maar probeer je het onmogelijke, dwars er doorheen, dwars tegen het spontane aanvoelingsvermogen van je menselijk hart heen, je aansluiten bij de diepere mogelijkheden in je wezen, daar waar je contact hebt met Jezus, dan zul je het onmogelijke beleven: in de termen van het evangelie van vandaag: "een groot loon, als kinderen van de Allerhoogste vrijgesproken worden door God en tot slot een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat" (Lc 6,38). Niet later, maar nu al, want anders zou het inderdaad onmogelijk zijn. Alle andere wegen lopen dood, eigenlijk is al het andere dat de mens probeert echt onmogelijk, want er is maar één weg: de weg van het kruis, de koninklijke weg van het kruis, want Jezus zegt: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven" (Joh 14,6).