Dinsdag in de drieëntwintigste week
         van het oneven jaar
Eerste lezing: Kolossenzen 2,6-15  
Evangelie: Lucas 6,12-19


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die dagen ging Jezus naar het gebergte om te bidden
en bracht de nacht door in gebed tot God.
Bij het aanbreken van de dag riep Hij zijn leerlingen bij Zich
en koos er twaalf uit,
aan wie Hij tevens de naam van apostel gaf:
Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf,
diens broer Andreas,
Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeus,
Matteüs, Thomas, Jakobus de zoon van Alfeüs,
Simon met de bijnaam 'IJveraar',
Judas de broer van Jakobus
en Judas Iskariot, die een verrader werd.
Samen met hen daalde Hij af,
maar bleef staan op een vlak terrein.
Daar bevond zich een talrijke groep van zijn leerlingen
en een grote volksmenigte uit heel het Joodse land,
uit Jeruzalem en uit het kustland Tyrus en Sidon;
zij waren gekomen om Hem te horen
en van hun kwalen genezen te worden.
En die gekweld werden door onreine geesten vonden genezing.
Heel die menigte deed pogingen Hem aan te raken,
want er ging van Hem een kracht uit die allen genas.

Homilie  

Hoe komt het apostelcollege tot stand? Hoe wordt iemand apostolisch? Wanneer is je zijn, je doen en laten apostolisch? In het woord 'apostolisch' zit het woord 'zenden'. Zenden, dat doet iemand met een ander. Iemand is een gezondene. Een apostel is een gezondene: een zendeling, een missionaris wordt dus door iemand gezonden. Het wordt duidelijk aan de wijze waarop dat apostelcollege tot stand komt, dat die Iemand God is. Een apostel is een door God gezondene.

"In die dagen ging Jezus naar het gebergte om de bidden en bracht de nacht door in gebed tot God en bij het aanbreken van de dag riep Hij zijn leerlingen bij Zich en koos er twaalf uit aan wie Hij tevens de naam apostel gaf." Eerst keert Hij zijn leerlingen de rug toe. Eerst wendt Hij Zich af, van alles en van iedereen. Hij gaat naar het gebergte: Hij gaat de onherbergzaamheid binnen, in de nacht, wanneer de mensen slapen. Om tot het apostolaat te komen, moet je juist geen apostolaat doen. Je moet eerst de wereld verlaten. En als dat moment, de wereld verlaten, je keren tot God, er niet in zit, dan is apostolaat geen apostolaat. Dan wordt het zelotendom. Simon, zelotes, ijveraar, ongeordende ijver, zoals Paulus voor zijn bekering, zieltjes winnen of proselitisme, of een familiezaakje. Dan kom je nooit verder dan de behartiging van een of andere vorm van menselijke belangenzucht. Dan blijf je daarin hangen. Dan blijf je in je eigen wereld hangen. Nee, je moet er eerst uit weg om je te verenigen met Christus en zijn Vader.

Jezus geeft dat te kennen door de entourage van zijn gebed: het gebergte, waar niemand is en waar niemand kan wonen. Bovendien was Hij er in de nacht. Op een buitenwereldlijke plaats, in een buitenwereldlijke tijd, op een berg in de nacht, verkeert Jezus bij een buitenwereldlijke God, die niet terug te brengen is tot wat of iemand ook in onze wereld. Pas als Jezus God God heeft laten zijn, Iemand die helemaal niet van deze wereld is, helemaal transcendent is, verheven, boven alle menselijke zin en onzin uitgeheven, afgescheiden van deze wereld, dan pas keert Hij Zich naar deze wereld toe. Als wij ons naar God keren, hoeven wij niet bang te zijn dat wij dan de wereld de rug toekeren. God is niet wereldvijandig. Hij is toch zelf de Schepper van de wereld, en de Verlosser van de wereld! Hij is toch niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om te redden. Hij, die de wereld schiep en ons allen in het aanschijn heeft geroepen. Hoe zou men zich tot Hem kerend de wereld vijandig gezind zijn en blijven? Nee, in de omgang met God worden wij juist genezen van wat er aan vijandigheid ten aanzien van de wereld in ons is.

Het evangelie geeft ons niet zomaar een manier om met de wereld om te gaan, maar een goddelijke manier om met de wereld om te gaan. Om met de Schepper van de wereld mee naar de wereld toe te gaan. Om ons te laten opnemen in zijn genadevolle toewending naar de wereld. Dat is een manier, dé manier, om aan onze medemensen te denken: zien hoe Jezus, vervuld van de liefde van de Vader, Zich omkeert uit zijn gebed, Zich omkeert naar de wereld om die buitenwereldlijke kracht van God, die Hij in het gebed heeft opgevangen, mee te nemen naar de wereld. Zo brengt Hij het apostelcollege bijeen.

Dat is een mogelijkheid voor ieder van ons, want wij staan op de plaats van die apostelen. Wij worden iedere keer in het gebed naar God geroepen. Hij roept ons bij Zich om ons te doen delen in zijn bovenmenselijke, buitenwereldlijke liefde en kracht, om daarmee weer naar de mensen toe te gaan. Gevolmachtigd, apostolisch dat wil zeggen: voorzien, niet van de eigen macht, maar van de macht en de kracht van Jezus Christus, onze Heer, waarmee niet alleen Jezus wordt bekleed, maar geheel zijn Kerk. Wij zijn toch een apostolische Kerk! Een door God gevolmachtigde Kerk.

God steeds voor laten gaan, zoals Jezus deed bij de oprichting van het apostelcollege. God steeds opnieuw voor laten gaan. Niets voor laten gaan op God, maar van Hem uit opnieuw gestalte geven aan onze betrekkingen met de wereld, met onze medemensen, in het groot en in het klein. Dan wordt ons leven missionair, een leven van gezondenen, apostelen.