Vrijdag in de drieëntwintigste week
          van het oneven jaar
Eerste lezing: 1 Timóteüs 1,1-2.12-14  
Evangelie: Lucas 6,39-42


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor:
“Kan soms de ene blinde de andere leiden?
Vallen dan niet beiden in de kuil?
De leerling staat niet boven zijn meester;
maar zal hij ten volle gevormd zijn als hij gelijk is zijn meester.
Waarom kijkt ge naar de splinter in het oog van uw broeder
en slaat ge geen acht op de balk in uw eigen oog?
Hoe kunt ge tot uw broeder zeggen:
Broeder, laat mij de splinter uit uw oog halen,
terwijl ge de balk in uw eigen oog niet opmerkt?
Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog,
dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen
die in het oog van uw broeder zit.”

Homilie  

“Ik zeg dank aan Hem die mij sterkt, Christus onze Heer, dat Hij mij vertrouwen heeft geschonken door mij in zijn dienst te nemen, hoewel ik eertijds een godslasteraar was, een vervolger, een geweldenaar. Maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik, nog ongelovig, handelde in onwetendheid."
Paulus zegt in onwetendheid gehandeld te hebben. De gelovige is een wetende geworden. En wat weet hij? Wat weet hij beter? Waarin is hij nu een meester? Waarin is hij ziende geworden? Hij weet beter dat hij een zondaar is. Hij weet beter dat hij niet beter is dan wie dan ook. De volmaaktheid in het klooster, de vooruitgang die iemand boekt in het gebed is, dat hij ziet dat hij een blinde is, en dat hij zijn leven lang een leerling blijft, bij een ander in de leer, altijd, en steeds aangewezen op de barmhartigheid van God. Dat is dan ook wat sint Paulus zijn kind in het geloof, Timóteüs, toewenst: "Genade, barmhartigheid en vrede." De weg omhoog gaat langs de weg naar beneden. Wij stijgen door te dalen. Wij klimmen op door langs de trappen van de nederigheid omlaag te gaan. Deze voeren ons naar een steeds duidelijker besef van onze kleinheid.

De gebreken van de anderen zijn een bekoring om ons van die weg. omlaag af te brengen. Doordat we anderen fouten zien maken, de slechte eigenschappen van anderen zien, voelen we ons beter. Doordat anderen beneden ons zijn, denken we zelf hoger te staan. Het weten leidt tot een vergelijken, en het vergelijken leidt tot een zich verheffen. Daarom moeten wij ons niet vergelijken met een ander, maar met De ander, met Hem. Wie zijn wij tegenover Hem? Het moet een vergelijking worden met één onbekende. Terwijl wij in de zichtbare relatie staan met de ander, moeten wij ons tegelijkertijd plaatsen in de relatie met Hem. Toen abt Agathoon een ander zag zondigen, hoorde hij een stem: 'Agathoon, zorg maar eerst dat jij dat zelf niet doet. En aldus bracht hij zijn gedachte tot rust' (Vaderspreuken, 100).