Heilige Hildegardis, maagd
Eerste lezing: 1 Korintiërs 15,1-11 [III 283];
Evangelie: Lucas 7,36-50 [III 284]
Inleiding
'Hij heeft gespijzigd. Hij heeft verzadigd.' Alsof wij dat zelf niet zouden kunnen. Alsof wij niet voor onszelf zouden kunnen zorgen! Alsof wij in de staat van kinderen blijven die moeten worden gevoed, een hapje voor oma, een hapje voor opa. Het mondje moet als het ware nog worden geopend en het voedsel erin geduwd. Zo worden wij hier voorgesteld: als kinderen die door God worden gespijzigd. Voor het brood van de wereld, van de aarde, voor de aardse spijzen kunnen wij zelf zorgen, dat kunnen wij zelf ook wel tot ons nemen, maar voor het Brood dat Hij ons geeft, kunnen wij niet zelf zorgen, dat moet Hij ons geven. Hij moet ons spijzigen met het Brood van de genade. Daarin zijn wij geheel afhankelijk van Hem, en dat wij teveel zelf willen redden, teveel zelf willen zorgen voor dat waarvoor wij niet kunnen zorgen, dat is eigenlijk onze zonde.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Eén van de Farizeeën vroeg Jezus eens bij zich te eten.
Jezus trad het huis van de Farizeeër binnen en ging aanliggen.
Een vrouw nu, die in de stad als zondares bekend stond,
was te weten gekomen
dat Jezus in het huis van de Farizeeër te gast was.
Zij nam een albasten vaasje met balsem mee
en ging schreiend achter Hem, bij zijn voeten staan.
Haar tranen maakten zijn voeten nat,
die ze met haar hoofdhaar afdroogde.
Zij kuste ze keer op keer en zalfde ze met balsem.
Toen de Farizeeër die Hem uitgenodigd had dit zag,
zei hij bij zichzelf:
Als dit een profeet was zou Hij weten
wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt;
het is immers een zondares.
Jezus gaf hem ten antwoord:
Simon, ik heb u iets te zeggen.
Waarop deze zei:
Zeg het, Meester.
Een geldschieter had twee schuldenaars,
de een was hem vijfhonderd, de ander vijftig denariën schuldig.
Omdat zij die niet konden teruggeven
schold hij ze aan allebei kwijt.
Wie van hen zal nu het meest van hem houden?
Ik veronderstel, - antwoordde Simon -
diegene aan wie hij het meeste heeft kwijtgescholden.
Jezus zei tot hem:
Uw oordeel is juist.
Daarop keerde Hij Zich tot de vrouw en zei tot Simon:
Ge ziet die vrouw daar?
Ik kwam uw huis binnen;
gij hebt niet eens water over mijn voeten gegoten,
maar mijn voeten zijn nat geworden door haar tranen
en zij heeft ze met haar haren afgedroogd.
Gij hebt Mij niet eens een kus gegeven,
maar zij hield, sinds Ik binnenkwam
niet op mijn voeten te kussen.
Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd,
maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem.
Daarom zeg Ik u:
haar zonden zijn haar vergeven, al waren ze vele,
want zij heeft veel liefde betoond.
Aan wie weinig wordt vergeven, hij betoont weinig liefde.
Daarop sprak Hij tot haar:
Uw zonden zijn vergeven.
De medeaanliggenden vroegen zich af:
Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft?
Jezus zei tot de vrouw:
Uw geloof heeft u gered: ga in vrede.
Homilie
Vandaag een inleiding door sint Paulus op een apologie (geloofsverdediging) van de verrijzenis van het lichaam, onder Grieken een weinig populaire gedachte. Paulus kiest als grondsteen voor zijn betoog de verrijzenis van het lichaam van Christus: "als wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgewekt, hoe kunnen dan sommigen onder u beweren dat er geen opstanding van de doden bestaat?
wij hebben getuigd, dat God Christus ten leven heeft gewekt
Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn!" (1 Kor 15,12-20), zo zullen wij morgen horen in de eerste lezing. Om mensen die loochenen dat er een opstanding van de doden bestaat, te kunnen weerleggen, moet Paulus een beroep doen op een stukje geloofsleer, enige woordelijk geciteerde passages uit de oudchristelijke catechese. Daarin was ook al sprake van de verrijzenis van Christus, maar niet om deze te verdedigen of apart te verkondigen. Want de verrijzenis van Christus hoefde niet gesteld te worden. Die was uitgangspunt. Je hoeft toch ook niet te bewijzen dat de zon bestaat. Die bewijst zichzelf. 'Die luce clarius, helderder dan het licht'.
De redenering verloopt als volgt: Hoe zou iemand niet verrezen zijn, als Hij zovele tekenen van leven geeft, nadat Hij eerst zelf geheel en al uit de doden is opgewekt! Dus de verrijzenis van Christus was eerst en vooral uitgangspunt en er werd over de verschijningen alleen maar gesproken, niet om Christus' verrijzenis te staven ('Kijk maar Hij is verrezen, dat zie je aan de verschijningen'), maar: 'wij, apostelen, treden terecht op als gezaghebbende getuigen, want Christus is aan óns verschenen.' Niet dus dát Christus is verschenen, maar aan wie Hij is verschenen: "Daartoe ben Ik u verschenen, om u aan te stellen tot dienaar en tot getuige van het feit, dat ge Mij gezien hebt en dat Ik u nog verschijnen zal" (Hand 26,16-18).
Die verrijzenisverhalen en die verschijningsverhalen hebben een functie in de verkondiging. Zij hebben de functie van een soort geloofsbrieven, die de geloofsgetuigen accrediteren (als gevolmachtigde doen erkennen). Maar daarnaast zit er in die verhalen ook iets christologisch, dat wil zeggen: zij leren ons ook iets over Christus en over ons. Dat wordt er door Paulus uitgehaald: Christus was echt dood, was begraven, drie dagen onder de grond, kortom dood én begraven, en Hij is echt levend, want Hij is verschenen. Hoe kan iemand dan zeggen, dat Christus niet echt verrezen is en dat wij niet verrijzen?
Het evangelie van vandaag kan ons helpen de werkelijkheid van de verlossing duidelijk te maken. Niet als leer, maar als geschiedenis, als feit. God is barmhartig. Zoals wij het leven van Christus kunnen afleiden uit zijn verschijningen, zo kunnen wij de barmhartigheid van God afleiden uit het barmhartig handelen van Jezus. Dat stond ook al in het eerste geloofsgetuigenis: "Gestorven, niet zomaar, maar voor onze zonden. Ik zelf heb als overlevering ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden. En dat Hij verrezen is, niet om zijn almacht te tonen, maar als werk van Gods barmhartige liefde. Zo heeft Paulus dat persoonlijk ervaren: het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte. Ja, ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten, want ik heb Gods kerk vervolgd. Maar door de genade van God ben ik wat ik ben en zijn genade aan mij is niet tevergeefs geweest
de genade van God heeft met mij gewerkt."
Datzelfde leert ons ook het evangelie van vandaag. Evangelieverhalen zijn leerverhalen. Zij verhalen ons de leer in beelden, in de taal van geschiedenis, van gebeuren, van menselijke verhoudingen. We hoeven het verhaal maar voor de geest te halen en we weten méér over de verhouding van God tot de mensen, van de mensen tot God, dan door de meest geleerde verhandelingen. En de meest geleerde verhandelingen moeten steeds weer teruggaan tot deze verhalen. Zij moeten er zich steeds aan toetsen. Méér zeggen dan deze verhalen kunnen ze nooit. Hierin ligt alles besloten. De meest geleerde theoloog en de domste gelovige laven zich beiden aan dezelfde bron van ons geloof. We hoeven het verhaal maar na te vertellen en we hebben de hele verlossingsleer voor de geest.
Jezus was een rondtrekkende rabbi. Overal waar hij kwam, ging hij naar de synagoge, de plaats waar de gelovigen samenkwamen. In de synagogedienst kreeg een van de gelovigen de gelegenheid het woord te voeren. Jezus maakte van die gelegenheid gebruik. Als de dienst voorbij was, werd Hij gewoonlijk door de plaatselijke geestelijkheid uitgenodigd, in dit geval door Simon de Farizeeër. Daar hoeft nog geen echt geloof bij te zitten. Het kan een formaliteit geweest zijn. Van de andere kant schijnt deze Simon toch meer in Jezus gezien te hebben, iets van een profeet: "als dit een profeet was
" Misschien had Simon wel de bedoeling om te toetsen of Jezus inderdaad een profeet was.
Hoe dan ook: het gaat er feestelijk aan toe, want de tafels staan in een feestelijke schikking, rustbanken om op te liggen, zoals de Joden gewend waren bij de meer feestelijke en plechtige gelegenheden, zoals het pascha. Nu was er die dag nog iemand in een feestelijke stemming, iemand met een vreugdevol hart. Het is een vrouw, een zondares, een publieke vrouw. Zij stond bekend om haar zondig leven in het stadje. Waarom was zij dan in een feestelijke stemming? Zij was ook in de dienst geweest waar die vreemde rabbi het woord had gevoerd. Zij had naar Jezus geluisterd en gaandeweg was er een overweldigende dankbaarheid in haar opgekomen. Wat had haar dan zo dankbaar gemaakt? Jezus had haar hart geraakt, haar zondige hart. Jezus had namelijk over de zonden gesproken, maar niet op de bekende manier van de Farizeeën en schriftgeleerden, die de kunst verstonden iemand nog verder in de put te duwen. Jezus was heel anders. Hij sprak over de zonden zonder ze te verbloemen of goed te praten, even onbarmhartig, maar dat was niet het laatste. Niet het aanklagen van de zonden was het einde, maar het verkondigen van Gods barmhartigheid jegens de zondaars. En dat deed Jezus met zoveel liefde, met zoveel zalving, dat zij al geloofde dat haar zonden waren vergeven, nog voordat Jezus die woorden persoonlijk tot haar sprak: "Vrouw, uw zonden zijn vergeven." Zij wist zich persoonlijk zo aangesproken dat haar hart overliep van dankbaarheid over de verkregen vergiffenis. Haar dankbare liefde stroomt uit naar de persoon van Jezus. Zijn woorden waren balsem voor haar hart. Balsem was het wat zij voor Hem nodig had om haar gevoelens tot uitdrukking te brengen.
Maar nu de Farizeeër: een niet te overbruggen kloof tussen de zonde en God. De zondaar stevent regelrecht op zijn veroordeling af. En is dat niet nog steeds zo? Het oordeel zegeviert over de barmhartigheid in onze wereld: 'Dat zal ik hem betaald zetten', 'zij zullen ervan lusten', 'die komt er bij mij niet meer in', 'bijltjesdag' en 'bijltjesmensen'!
Maar Jezus legt uit: God is niet zo: aan haar wederliefde weerspiegelt zich de liefde, de vergevende liefde van God. Houdt God van mij? Als die vraag je werkelijk tot vraag wordt, is dat al veel. Dan ontdek je dat er niet zoveel beminnenswaardig is in je. Hoe kan Hij nu van mij houden? Je wordt je bewust van je schaduw, je zonden, je zondige hart. Juist daarom! Liefde is altijd nederige liefde, de liefde die klein maakt.