Eerste lezing: 1 Korintiërs 12,12-14.27-31a
Evangelie: Lucas 7,11-17
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd begaf Jezus Zich naar een stad die Naïn heette;
zijn leerlingen en een grote groep mensen gingen met Hem mee.
Hij was juist in de nabijheid van de stadspoort gekomen,
toen daar een dode werd uitgedragen,
de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was.
Een groot aantal mensen uit de stad vergezelde haar.
Toen de Heer haar zag
voelde Hij medelijden met haar en sprak:
Schrei maar niet.
Daarop trad Hij op de lijkbaar toe en raakte die aan.
De dragers bleven staan en Hij sprak:
Jongeman, Ik zeg je: sta op!
De dode kwam overeind zitten en begon te spreken,
en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug.
Allen werden door ontzag bevangen
en zij verheerlijkten God en zeiden:
Een groot profeet is onder ons opgestaan,
en: God heeft genadig neergezien op zijn volk.
Dit verhaal over Hem deed de ronde
door heel het Joodse land en de wijde omtrek.
Homilie
In zijn eerste brief aan de Korintiërs hamert Paulus steeds op hetzelfde aambeeld: niemand in de Kerk heeft of doet iets voor zichzelf alleen. De ambtsdragers zijn niets uit zichzelf, zij zijn niet meer dan "Gods ondergeschikten, Gods medewerkers" (1 Kor 3,5.9). Er kan geen sprake van zijn de een tegen de ander uit te spelen: 'ik ben voor Paulus', 'ik voor Apollos'. Paulus noemt dit een niet-geestelijke, een vleselijke manier van spreken en denken. Vleselijk denken is naar de mens gericht denken, ik-gericht, niet God-gericht. Die algemene houding van ik-gerichtheid en kleinmenselijk denken is de wortel van allerlei misbruiken: ergerlijke vormen van ontucht (5,1-13), christenen die tegen elkaar procederen voor heidense rechtbanken (6,1-11), ontucht in het algemeen onder dekmantel van christelijke vrijheid: "Alles is mij geoorloofd" (6,12-20), ergernis geven aan de minder verlichten door het eten van offervlees (8-10).
In de praktijk van het christelijk leven moet alles geregeld worden door de liefde. Zo is het ook met de charisma's, de genadegaven, de gaven van de heilige Geest. "Aan ieder van ons wordt de openbaring van de Geest meegedeeld tot welzijn van ons allen." Om zijn toehoorders te overtuigen gebruikt Paulus het geliefde beeld van het lichaam: jullie zijn allemaal samen het Lichaam van Christus. Dat Lichaam van Christus wordt bezield, niet door een 'ik-geest', door 'vleselijkheid', maar door de heilige Geest van God, dat is een geest van volmaakte, zelveloze liefde. Een liefde die het enig mogelijke antwoord is op de opgave te moeten leven in een wereld vol kwaad, vol menselijke zwakheid: een liefde die "zich niet kwaad laat maken en het kwade niet aanrekent, zich niet verheugt over het onrecht, een liefde die alles verdraagt, alles duldt en alles hoopt" (vgl. 1 Kor 13,1-13).
Deze liefde is de inzet van het goddelijk verlossingsplan: "Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben" (Joh 3,16). Moeten we die dwaze liefde van God voor de zondige mensheid niet op de achtergrond zien van het evangelie van vandaag: die weduwe die haar eerste en eniggeboren zoon uitdraagt? Op de voorgrond is er in dit tafereel veel te zien, veel te beleven. Een begrafenis was in het Oosten een emotioneel gebeuren. De dood was nog geen taboe. Men liet zijn gevoelens de vrije loop: kloppen op de borst, huilen, ja gillen, kortom rouwmisbaar. Er was ook een beetje show bij, maar het was voor de mensen die door de rouw getroffen werden, een grote hulp om de persoonlijke gevoelens te verwerken. Met deze vrouw had de menigte het heel in het bijzonder te doen: zij was weduwe, en had maar één zoon. Nu had zij niemand meer. Maar in het evangelie roept Jezus de gevoelens van de vrouw en de menigte een halt toe: "Toen de Heer haar zag, gevoelde Hij medelijden met haar en sprak: Schrei maar niet."
Nu kijken we met de gelovigen van alle tijden mee naar wat er zich op de achtergrond van dit gebeuren afspeelt: een weduwe die haar eerste en eniggeborene uitdraagt, dat roept meteen de gedachte op aan God die zijn eniggeboren Zoon geeft. God heeft met ons een verhouding zoals een vader heeft met zijn eniggeboren kind. Dat is al begonnen, toen het volk nog in Egypte was: "Dan moet gij (Mozes) tot farao zeggen: Zo spreekt de Heer: Israël is mijn eerstgeboren zoon. Ik had u bevolen mijn zoon vrij te laten vertrekken om Mij te vereren, maar gij hebt dat geweigerd" (Ex 4,22-23). Dat voelt God voor Israël: wat een mens voelt voor zijn eerstgeborene, zijn eersteling, voor zijn enige. Wat de weduwe van Naïn voelt voor haar jongen, dat voelt God voor ons.
Toen waren het de eerstgeborenen van Egypte die werden getroffen, om aan Israël vrijlating te kunnen geven: eerstgeborenen voor eerstgeborenen. Nu is het de Eniggeborene van de Vader zelf die wordt getroffen. Hij verliest er het leven bij om ons het leven te kunnen geven: "Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben (Joh 3,16). Het verhaal van God met de mensen begint zoals het zal eindigen. Maar nu is het God zelf die doet wat Hij zijn eersteling Abraham heeft geboden: Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei: ga met Isaäk, uw enige zoon die gij liefhebt, naar het land van de Moria en draag hem daar op de berg die Ik u zal aanwijzen als brandoffer op. Toen Abraham op het punt stond dat offer te brengen, werd hij door een engel tegengehouden en God sprak: Ik weet nu, dat gij God vreest, want gij hebt Mij uw enige Zoon niet willen onthouden" (Gen 22,2.12).
Nu weer terug naar het evangelie: "Toen de Heer haar zag, gevoelde Hij medelijden met haar." Medelijden met deze weduwe, met heel Israël, met heel de mensheid. Het is geen machtsgebaar, maar liefde: Jezus schenkt de moeder, de wereld het eigen eeuwige leven. Want dat waren we kwijt. Dat geeft Hij ons terug. Elke keer opnieuw. Zoals ze zeggen: God schept elke keer, Hij houdt nooit op met scheppen. Zo maakt Hij alles nieuw in de verlossing, Hij schenkt ons het eeuwige leven, dat verloren gegaan was, terug. Hij schenkt het ons steeds opnieuw. Hij heeft medelijden met ons. Dat is zijn antwoord op ons gebed: "Heer, ontferm U over ons". Dan geeft Hij ons zijn leven, zijn Lichaam. Nu is het niet meer Jezus die de weduwe van Naïn haar zoon terugschenkt, maar nu is het de Vader zelf die ons zijn eigen Zoon schenkt en daarmee het eeuwig leven.