Eerste lezing: 1 Korintiërs 15,35-37.42-49
Evangelie: Lucas 8,4-15
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd verzamelde zich een grote menigte.
Vanuit de steden stroomden de mensen naar Jezus toe.
Toen sprak Hij in een gelijkenis:
De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien.
En bij het zaaien viel een gedeelte op de weg.
Het werd vertrapt en de vogels uit de lucht aten het op.
Een ander gedeelte viel op de rotsgrond;
het schoot wel op, maar het droogde uit omdat het geen vocht had.
Weer een ander gedeelte viel tussen de distels,
maar tegelijkertijd schoten de distels op en verstikten het.
Nog een ander gedeelte viel op goede grond;
het schoot op en bracht honderdvoudige vrucht voort.
En met luide stem voegde Hij er aan toe:
Wie oren heeft om te horen, hij luistere.
Zijn leerlingen vroegen Hem wat die gelijkenis wel betekende.
Hij antwoordde:
Aan u is het gegeven
de geheimen van het Rijk Gods te kennen,
maar de overigen ontvangen ze in gelijkenissen,
opdat zij ziende niet zien, en horende niet begrijpen.
Welnu, de betekenis van de gelijkenis is deze:
Het zaad is het woord van God.
Die op de weg, zijn zij die geluisterd hebben.
Maar dan komt de duivel en rooft het woord uit hun hart weg,
opdat ze niet door te geloven gered worden.
Die op de rots zijn zij
die het woord met blijdschap ontvangen wanneer zij het horen,
maar zij hebben geen wortel;
zij geloven voor een ogenblik,
maar ten tijde van de beproeving vallen zij af.
Wat onder de distels viel, zijn zij die wel geluisterd hebben,
maar gaandeweg door de zorgen,
de rijkdom en de genoegens van het leven
verstikt raken en niet tot rijpheid komen.
Het zaad in de goede aarde zijn zij,
die het woord dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren
en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid.
Homilie
Toen sprak Jezus in een gelijkenis: De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien." We weten wat daar verder op volgt. In de eerste lezing heeft Paulus het over hetzelfde naar aanleiding van de opstanding uit de doden. "Iemand zal vragen: Hoe verrijzen de doden? Met wat voor lichaam? Een dwaze vraag, want het lichaam dat je krijgt bij de verrijzenis, is het lichaam van de andere wereld, een geestelijk lichaam." Wat je ziet is het natuurlijke lichaam. En net zo goed als je, wanneer je het zaad ziet en wat er allemaal mee gebeurt, wat de gestalte zal zijn wanneer het is opgeschoten, wanneer het vrucht heeft gezet, je onmogelijk voor de geest kunt, zo is het ook met het natuurlijke lichaam. "Wat je zelf zaait, moet eerst sterven voor het tot leven komt.
Zo is het ook met de opstanding van de doden; wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid; wat gezaaid wordt in geringheid en zwakheid, verrijst in heerlijkheid en kracht." En dat zelfde geldt voor het Woord van God.
Het Woord van God is als het zaad. Het moet sterven. Het is nog niet, zegt sint Paulus, wat het zal worden. "Het heeft nog niet de vorm die het zal krijgen." Het is meer niets dan iets. Je ziet er niets aan, het is onzienlijk, onzichtbaar. Daarom is het ook zo'n goed beeld voor God en voor wat God doet, want God is ook onzienlijk, onzichtbaar. Er is wel een kracht, een geweldige kracht, maar het is een geheime kracht, een verborgen kracht. Je zou kunnen zeggen: Wat je ziet is het begin, het is echt, het is het helemaal, maar op de wijze van het begin. Het is een teken van de wereld die komen gaat. Het is een begin, een teken, een veelbetekenend nieuw begin van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Wat je ziet, wat je voelt, wat je ondergaat, wat je er aan beleeft, het is niet veel zaaks, je ligt er niet wakker van. Het neemt een plaats in tussen de andere belevenissen, je beleeft nu eens dit, dan weer eens dat. Zo beleef je dus ook iets met God. Maar omdat het een ander perspectief heeft, omdat het het licht is van de zon, die als het morgenrood zijn licht laat schijnen, daardoor krijgt het een heel ander karakter. Daarom moet je er ook heel anders mee omgaan.
"Het zaad in de goede aarde zijn zij die het woord dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door standvastigheid." Dulden, dragen, verdragen, wachten, verlangen, bewaren. En dat is nu net niets voor onze wereld. Daar heerst meer: 'geen woorden maar daden'. Er moet iets aan te beleven zijn, iets positiefs, het moet een kick geven. We leven in een belevenismaatschappij met instant-genoegens, die je meteen kunt oproepen. Druk op de knop en je hebt het. Maar dat gaat niet echt naar binnen en als het er wel in gaat, beklijft het niet. Het vervliegt, het is zo weer weg.
Zoiets kan ook gebeuren met de geestelijke ervaring, met de gebedservaring, en het kan eveneens gebeuren met wat je in de eucharistie ontvangt, dat je dat als een moment van de dag beleeft, als iets dat komt en gaat, iets dat er eventjes is, een moment van rust, een pauze en dat daarna het leven weer gewoon doorgaat. Eigenlijk ontvangen we daarin een geestelijke kracht, als het begin van een nieuwe wereld, als je het tenminste diep in je hart laat neerdalen. Je kunt er niets aan doen als dat aan je gebeurt. Het komt, het treft je van Godswege en wordt je geschonken als een genade. Maar dat het in je hart blíjft, daar kun je wel iets aan doen. Het is daarom goed je er voor open te stellen, dat je dat echt diep in je binnenste laat doordringen, dat je er ruimte voor maakt, dat je daarvoor andere ervaringen, andere waarden, opzij zet. Dat vraagt wel versterving. Een zeker zwak worden, en waar je sterk in bent moet je laten lopen, om datgene wat je van Godswege krijgt, er te laten zijn.
Als Gods woord echt diep in je hart neerdaalt, dan word je datgene wat je ontvangt. Je wordt er één mee, precies zoals dat gebeurt met de gaven van brood en wijn. Het eten en drinken is een beeld van wat de Geest in werkelijkheid in ons wil doen. Hij wil diep in ons doordringen, zodat het één wezen met ons uitmaakt. Dat wij worden en zijn wat we eten, wat we in ons opnemen: de gestalte van brood en wijn en de daardoor opgeroepen geestelijke krachten.