Onze Lieve Vrouw van Smarten
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Hebreeën 5,7-9
Evangelie: Johannes 19,25-27; of: Lucas 2,33-35
Inleiding
'Ik heb mijn schoonste dagen verroekeloosd en verdaan en kom, o Moeder, klagen bij U voortaan.' Wat zwaar op de hand! De dichter Guido Gezelle wás zwaar op de hand. Depressief zeggen wij tegenwoordig, een beetje dépri. Honderdduizenden, miljoenen mensen zijn gedurende korte of langere tijd, of soms hun hele leven depressief en dat is een levensgevoel dat als een kruis op iemand kan drukken, maar het is ook een levensgevoel dat als een kruis kan worden gedragen. Het heeft een plaats in ons geloof. Maria, Moeder van smarten, stond onder het kruis. Zij droeg alle zwaarte van het menselijk leven bij het staan onder het kruis. Maar zij bleef staan. Stabat Mater. Ze ging er niet onderdoor. Ze maakte er geen einde aan. Ze bleef innerlijk overeind door de kracht van Gods woord.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Terwijl de soldaten hiermee bezig waren,
stonden bij Jezus' kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder,
Maria, de vrouw van Klopas en Maria Magdalena.
Toen Jezus zijn moeder zag
en naast haar de leerling die Hij liefhad,
zei Hij tot zijn moeder:
Vrouw, zie daar uw zoon.
Vervolgens zei Hij tot de leerling:
Zie daar uw moeder.
En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.
Homilie
Meer dan enig ander heeft Maria vreugde gevonden in God en zijn plan van heil: "Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God mijn Redder
Zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig" (Lc 1,46-48). Alle geslachten na haar beleven vreugde aan God, aan zijn heilsplan, maar alle geslachten samen kunnen niet de vreugde evenaren waaraan Maria deel had. En ook: alle geslachten zijn niet in staat de diepte te peilen van de smarten van Maria. Zij heeft haar Zoon ter wereld moeten brengen en dat ging, zoals elk geboorteproces, gepaard met barensweeën. Maar zij heeft haar Zoon ook ter wereld moeten brengen naar de geest, en ook dat ging gepaard met barensweeën.
Maria heeft aan Jezus geleden. Maria heeft aan God geleden. God doet zeer. Iets daarvan kunnen we ook merken in de omgang tussen mensen. Mensen doen elkaar pijn. Nu bedoel ik niet de pijn die ze elkaar aandoen als ze elkaar kwetsen, elkaar niet verdragen, niet fijngevoelig zijn tegenover elkaar, elkaar niet ontzien. Mensen lijden ook aan elkaar als ze elkaar op een diepe zelfloze manier liefhebben: dat je de ander nooit helemaal kunt begrijpen, dat de ander een onvervreemdbare eigenheid heeft, een geheim dat zich nooit prijsgeeft, dat onuitputtelijk is, dat zich verliest in de ontoegankelijke diepte van de eeuwigheid, van de Grond van alle bestaan. Dat je naaste, je liefste, toch onbereikbaar is, dat je je liefste tenslotte toch steeds weer moet afstaan aan God. Dat geldt ook voor de dingen en de dieren, maar mensen zijn zich dat bewust, zij voelen tot diep in de eeuwigheid, zij verliezen de ander in de eeuwigheid. Hun hart is een sluis naar de grote eeuwigheid.
De mens staat uit naar het zijn, de oceaan van de eeuwigheid. Daardoor, door echt te leven, barst een mens uit zijn voegen; de zijnden, de schepselen kunnen hem niet voldoen. 'Alle dingen zijn mij te inge (te nauw). Ik ben zo wijt (zo ruim),' zegt een middeleeuwse mystica. Alleen het zijn zelf kan de mens rust geven. 'Onrustig is ons hart tot het rust vindt in U,' zegt Augustinus. Alleen God zelf rechtvaardigt het contemplatieve leven: afzondering, boete, om de poorten van het innerlijk te zuiveren en te louteren.
Zo heeft Maria met een zuiver hart gestaan voor het ondoorgrondelijk mysterie van God. Zij heeft aan Hem geleden. Niet voor niets staat er tot twee keer toe: "Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf
zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart" (Lc 2,19.51).