Heilige Hildegardis, maagd
Eerste lezing: 1 Timoteüs 6,2c-12
Evangelie: Lucas 8,1-3
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd trok Jezus predikend rond
door stad en dorp
en verkondigde de Blijde Boodschap van het Rijk Gods.
De twaalf vergezelden Hem
en ook enkele vrouwen
die van boze geesten en ziekten verlost waren:
Maria, die Magdalena wordt genoemd,
uit wie zeven duivels waren weggegaan,
Johanna, de vrouw van Herodes' rentmeester Chuzas,
Susanna en vele anderen, die uit eigen middelen voor hen zorgden.
Homilie
In die tijd trok Jezus predikend rond door stad en dorp." Jezus is altijd onderweg. Zijn leven is een onderweg zijn. Al direct na zijn ontvangenis reisde Hij met zijn moeder van Nazareth, in Galilea, drie dagreizen verder naar een stad in Judea, naar Zacharias en Elisabeth. En vóór zijn geboorte reisde Hij met haar en Jozef van Nazareth naar Betlehem, en onmiddellijk na zijn geboorte naar Egypte en daarna weer terug naar Nazareth. Over zijn verborgen leven staat niets anders vermeld dan een reis naar Jeruzalem, of beter gezegd een reis naar het huis van zijn Vader: "Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?" (Lc 2,49).
Dat brengt die andere dimensie aan het licht: het reizen van de ene plaats naar de andere, de reizen en verplaatsingen in het horizontale vlak, worden geïnspireerd door een beweging in het verticale vlak. Het is niet een reizen uit reislust, uit ongedurigheid, uit nieuwsgierigheid, zoals bij mensen dikwijls het geval is en van wie Pascal (christelijk denker uit de zeventiende eeuw) ooit gezegd heeft, dat hun grootste moeilijkheid erin bestaat dat zij het niet op dezelfde plaats kunnen uithouden. Nee, bij Jezus gaat het om de dingen van zijn Vader, om de wil van zijn Vader: "Ik moet ook aan andere steden het Godsrijk verkondigen, want daartoe ben Ik gezonden" (Lc 4,43). Daartoe is Hij gezonden. Dat zit erachter: de dienst aan zijn Vader. Hij is opgenomen in een dienstverhouding. Zoals Maria niet zomaar een dienstmaagd was, niet zomaar een dienende levenshouding had die haar diensten deed verrichten, maar in dienst stond van de Heer: "Zie, de dienstmaagd des Heren
" (Lc 1,38).
Zo zijn ook de vrouwen in Jezus' gevolg bezig "uit eigen middelen voor hen (voor Jezus en zijn leerlingen) te zorgen," nadat zij eerst verlost waren uit de macht van de duivel, van de heerschappijen van deze wereld, bijvoorbeeld het geld, waarvan Paulus aan Timóteüs zegt dat "het de wortel is van alle kwaad." Zij stellen hun middelen niet meer ten dienste van zichzelf, maar van anderen. Nu staan ook zij, evenals Maria, in de dienst van het Rijk Gods. Tot opbouw van de Kerk.