Donderdag in de vierentwintigste week
             van het oneven jaar
 
Eerste lezing: 1 Timoteüs 4,12-16
Evangelie: Lucas 7,36-50


Inleiding    

'Hij heeft gespijzigd.' 'Hij heeft verzadigd.' Alsof wij dat zelf niet zouden kunnen. Alsof wij niet voor onszelf zouden kunnen zorgen. Alsof wij kinderen zijn, die nog moeten worden gevoerd, hapje voor hapje. Mondje open, hapje erin. Zo worden wij hier voorgesteld: kinderen die door God worden gespijzigd.
Voor het brood van de wereld, van de aarde, voor de aardse spijzen kunnen wij zelf zorgen. Die kunnen wij zelf ook wel tot ons nemen. Maar voor het Brood dat Hij ons geeft, kunnen wij niet zelf zorgen, dat moet Híj ons geven. Hij moet ons spijzigen met het Brood van de genade. Daarin zijn wij geheel afhankelijk van Hem. Dat wij teveel zelf willen redden, teveel zelf willen zorgen voor datgene waarvoor wij niet kunnen zorgen, dat is eigenlijk onze zonde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Eén van de Farizeeën vroeg Jezus eens bij zich te eten.
Jezus trad het huis van de Farizeeër binnen en ging aanliggen.
Een vrouw nu, die in de stad als zondares bekend stond,
was te weten gekomen
dat Jezus in het huis van de Farizeeër te gast  was.
Zij nam een albasten vaasje met balsem mee
en ging schreiend achter Hem, bij zijn voeten staan.
Haar tranen maakten zijn voeten nat,
die ze met haar hoofdhaar afdroogde.
Zij kuste ze keer op keer en zalfde ze met balsem.
Toen de Farizeeër die Hem uitgenodigd had dit zag,
zei hij bij zichzelf:
“Als dit een profeet was zou Hij weten
wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt;
het is immers een zondares.”
Jezus gaf hem ten antwoord:
“Simon, ik heb u iets te zeggen.”
Waarop deze zei:
“Zeg het, Meester.”
“Een geldschieter had twee schuldenaars,
de een was hem vijfhonderd, de ander vijftig denariën schuldig.
Omdat zij die niet konden teruggeven
schold hij ze aan allebei kwijt.
Wie van hen zal nu het meest van hem houden?”
“Ik veronderstel,” - antwoordde Simon -
“diegene aan wie hij het meeste heeft kwijtgescholden.”
Jezus zei tot hem:
“Uw oordeel is juist.”
Daarop keerde Hij Zich tot de vrouw en zei tot Simon:
“Ge ziet die vrouw daar?
Ik kwam uw huis binnen;
gij hebt niet eens water over mijn voeten gegoten,
maar mijn voeten zijn nat geworden door haar tranen
en zij heeft ze met haar haren afgedroogd.
Gij hebt Mij niet eens een kus gegeven,
maar zij hield, sinds Ik binnenkwam
niet op mijn voeten te kussen.
Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd,
maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem.
Daarom zeg Ik u:
haar zonden zijn haar vergeven, al waren ze vele,
want zij heeft veel liefde betoond.
Aan wie weinig wordt vergeven, hij betoont weinig liefde.”
Daarop sprak Hij tot haar:
“Uw zonden zijn vergeven.”
De medeaanliggenden vroegen zich af:
“Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft?”
Jezus zei tot de vrouw:
“Uw geloof heeft u gered: ga in vrede.”

Homilie  

“Uw geloof heeft u gered,"
zegt Jezus tegen de zondares in het evangelie. Je kunt niet jezelf redden, maar zo wordt het in de eerste lezing van Paulus' brief aan Timóteüs wel voorgesteld: "Wees een voorbeeld voor de gelovigen door woord en gedrag. … U moet u toeleggen op de voorlezing, de vermaning en het onderricht. … Neem dit alles ter harte en ga er geheel in op. … Blijf voortdurend zorg besteden aan uzelf en aan uw onderricht. … Zodoende redt gij u zelf en hen die naar u luisteren." Zélf redden. Als je maar flink je best doet, je voorbeeldig gedraagt,  dan zul je niet alleen jezelf redden, maar ook nog degenen die naar je luisteren. Zelfredding! Ik dacht dat er in het evangelie alleen maar sprake was van gered wórden en, zoals wij zijn begonnen, van gespijzigd wórden. Het is iets wat wij uit onszelf niet kunnen, maar wat nu juist de Farizeese bekoring en verleiding is, namelijk jezélf te redden. Zo spraken ze ook tot Jezus aan het kruis: "Wanneer Gij de Messias zijt, red dan U zelf en ons" (Lc 23,39). Kom van het kruis af.

De inzet die Paulus van Timóteüs vraagt, is niet een inzet die hij uit zichzelf moet opbrengen, want Paulus zegt: "Verwaarloos de genadegave niet die in u is en die u krachtens het profetenwoord werd geschonken onder handoplegging van de gezamenlijke priesters." Het is genade! Er is een bezielende kern! Er is roeping, bezieling van heilige Geest en van kracht. En vanuit die bezieling, vanuit die kracht, die de gelovigen in velerlei verschillende soorten en maten wordt geschonken, vanuit die kracht moet de mens zich inzetten. Met de inzet die God vooraf laat gaan aan alle goede werken, mag een mens meegeven. Het is een ontplooiing. Zo vervalt een mens niet tot werkheiligheid, tot farizeïsme, loonmentaliteit of slavenmentaliteit. Bij alles wat je doet, voeling houden met wat Hij je doet.

Het goede werk moet voortkomen uit de liefde van God die voorgaat, die vooraf gaat, zoals we dat in het evangelie hebben gezien. De boetvaardige zondares kwam tot haar werk van boete vanuit de verzoening die Jezus haar in de synagoge had verkondigd en die zij had aangenomen. Jezus sprak over de zonden zonder er iets van af te doen. Maar dat was niet het eigenlijke. Hij sprak over de zonden om de vergiffenis van de zonden te verkondigen. Want God beantwoordt onze zonden met vergeving: het is goed,  je mag toch bij Mij blijven.  Je zou je van Mij willen verwijderen? "Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens" zei Petrus tot Jezus (Lc 5,8), toen hij zijn zondigheid inzag. Nee, zegt Jezus, blijf hier. “Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen" (Lc 5,10). Die vergevingsgezindheid heeft de boetvaardige zondares in Jezus' woorden gehoord, en ze heeft dat woord van God, wat tot iedereen gesproken wordt op zichzelf betrokken. Zij hoorde hoe God, door Jezus, haar de vergiffenis van de zonden beloofde, toezegde, en dat vervulde haar hart met dankbaarheid, en daarna heeft Jezus het nog eens met zoveel woorden gezegd: "Uw zonden zijn vergeven."

Boete moeten we doen. We moeten ons voor de volle honderd procent inzetten, maar we doen het altijd op grond van het feit dat God Zich verzoend heeft met ons. Het boetesacrament heet dan ook het Sacrament van Verzoening, het is het werk van God. En boete is het werk van de mens, voortkomend uit het werk van God en de mens. God werkt door in datgene wat Hij in de verzoening is begonnen. God werkt door in de boete die de mens samen met God verricht. Kortom, wij moeten zo vertrouwen op God, alsof wij het werk alleen maar op eigen kracht zouden moeten doen. "Uw geloof heeft u gered.” U bent gered. U bent er. “Ga in vrede."