Heilige Vincentius de Paul, priester
Eerste lezing: Prediker 11,9-12.8 [III 299]
Evangelie: Lucas 9,43b-45 [III 300]
Inleiding
Vandaag vieren we de gedachtenis van Vincentius à Paulo. Het lijkt een wonderbare vermenigvuldiging, wat er met hem is gebeurd na zijn leven. Vincentiusverenigingen, stichtingen die naar hem zijn genoemd, ordezusters, werken van barmhartigheid die onder zijn naam werden gedaan, zijn als paddestoelen uit de grond gestampt. Zelf heeft hij tijdens zijn leven gewerkt aan een wonderbare tijdvermenigvuldiging. Wat heeft die man een werkzaamheid ontplooid! Hij heeft oefeningen gegeven, stichtingen in het leven geroepen, gemeenschappen geleid, werken van barmhartigheid opgericht, zoveel verschillende en tijdrovende bezigheden dat het onbegrijpelijk is dat die man nog voor iets of iemand anders tijd had. En toch lezen we van hem dat zijn deur altijd openstond. Dat hij tijd had voor ieder die zijn hulp nodig had en dat ontelbare mensen, bedelaars even goed als hertogen en hertoginnen, de drempel bij hem plat liepen. Wonderbare tijdvermenigvuldiging.
Misschien zat de zaak zo. Natuurlijk kon hij zijn bezoekers maar een kort ogenblik geven, maar die enkele ogenblikken gaf hij dan ook helemaal, zodat zijn bezoekers niet het gevoel hadden dat hij, bij het luisteren naar hun verhaal, al zat te denken aan de volgende bezoeker, maar dat zij in die luttele minuten het gevoel kregen dat hun hart hem toebehoorde, dat zijn hart het Hart van God zelf was. In de ruimte bij deze persoon werden zij omgeven door de rust en de gelatenheid van de Eeuwige. Dat maakte dat zij weggingen met het gevoel dat hun een mateloze tijd werd geschonken. Heb je weinig tijd (en slotzusters hebben weinig tijd) geef het beetje hélemaal, geef het met liefde, geef jezelf daarin. Dan geef je veel meer dan je tijd, dan geef je je leven, dan geef je de eeuwigheid.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij soms over onze tijd beschikken zoals de vrek over zijn geld: zuinig en naar zichzelf toerekenend.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd
verbaasde zich iedereen over alles wat Jezus deed,
en Hij sprak tot zijn leerlingen:
Hebt een open oor voor wat Ik u zeg.
De Mensenzoon zal worden overgeleverd
in de handen der mensen.
Ofschoon zij die woorden niet begrepen
- ze bleven voor hen omsluierd,
zodat zij het niet konden vatten -
schrokken zij er voor terug Hem hierover te ondervragen.
Homilie
Je moet maar durven: midden in de roes van het succes de ogen openen voor de mislukking, voor de totale nederlaag. Je moet maar durven om opeens een bladzijde van succes om te slaan in een zwarte bladzijde van nederlaag. Want dat was wat Jezus deed. Eerst heeft iedereen het geweld van de boze geest meegemaakt. Meegemaakt hoe de vader in felle kleuren schildert wat er met zijn zoon, zijn enig kind, aan de hand is: "Meester, wil U toch om mijn zoon bekommeren, hij is mijn enige kind. Hij wordt door een geest overweldigd, die hem onverhoeds onder rauwe kreten doet stuiptrekken, tot het schuim hem op de mond staat (Lc 9,38.39; Mt 17,15; Mc 9,17.18). En dat het waar is toont ons het vervolg hierop, want als Jezus de jongen bij Zich laat brengen, dan gebeurt er voor aller ogen wat zijn vader gezegd had: Toen hij naderbij kwam, wierp de duivel hem tegen de grond in hevige stuiptrekkingen. Maar Jezus gaf een streng bevel aan de onreine geest, genas de jongen en gaf hem aan zijn vader terug. En allen stonden verbaasd over de grootheid van God" (Lc 9,42.43; vgl. Mc 9,20-28).
Terwijl iedereen zich zo verbaasde over alles wat Hij deed, niet alleen bij dit ene wonder, maar ook bij al die andere wonderen, en Hem zagen als hun Meester, hun Messias, hun sterke man, zegt Jezus ineens plompverloren: "Hebt een open oor voor wat Ik u zeg. De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der mensen. Hij geeft hier een korte samenvatting van de eerste lijdensvoorspelling, die Hij ook al deed op zo'n moment van succes. Wie zeggen de mensen dat Ik ben?
Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? Petrus antwoordde: Gij zijt de Gezalfde van God (Lc 9,18-21). Toppunt van zijn glorie! Maar toen Jezus daarop zei: De Mensenzoon moet veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden", - dus door alles wat gezag bevat, waar iedereen tegenop keek - laten ze Hem vallen. Ze hadden verwacht dat Hij Zich er wel tegen zou verzetten, die macht had Hij immers, daar waren ze toch getuigen van geweest, maar dat doet Hij niet.
Jezus ontmythologiseert al onze mythen. Hij verstoort onze mooiste dromen. Hij zet ons met beide benen op de grond. "Alles is ijdelheid", hebben we in de eerste lezing gehoord. Alles is 'lucht en leegte' (volgens de nieuwste eenheidsvertaling van het woord 'ijdelheid'. Met niets kan de mens zich blijvende roem verschaffen. Wat Jezus wil, is door zijn instemming met zijn eigen lot, de ijdelheid van de wereld aantonen. Sint Paulus zegt dat hij "op niets anders wil roemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor hem gekruisigd is en hij voor de wereld" (Gal 6,14). Jezus heeft niet alleen Zichzelf laten kruisigen, maar Hij heeft daarmee tegelijkertijd de wereld gekruisigd, zodat er niemand en niets meer is waarop mensen zich kunnen beroemen. Er is er maar Eén die kan roemen: God zelf heeft ingegrepen en een blijvend werk opgericht tot zijn eigen roem: de verlossing van onze Heer Jezus Christus door de dood en de verrijzenis, de opwekking, door zijn hemelse Vader. Het is een volmaakt werk, een volmaakt werk van God. Daar komt totaal geen ijdelheid aan te pas. Tegelijkertijd is het een werk dat tot stand komt door onze Heer Jezus Christus. Op deze manier heeft God Zich alle roem voorbehouden en Zichzelf tegelijkertijd een blijvende gedachtenis verschaft: 'Dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt. Doet dit tot gedachtenis aan Mij.'
Jezus die Zichzelf tot in de diepste diepte heeft vernederd, wordt door de Vader in de hoogste hoogte verheven. Dat is wat wij vieren in de eucharistie; wij vieren de dood en de opheffing ten leven van onze Heer Jezus. En van de andere kant heeft God daarmee een weg getoond, waarlangs de mens zijn diepste verlangen naar blijvend leven kan bereiken. Enerzijds is het oppassen voor jezelf, oppassen voor zelfontplooiing, oppassen voor eigen kracht, want dat is 'lucht en leegte', dat is mensenwerk. Anderzijds moeten wij niet moedeloos worden bij zwakheid en onmacht, bij verdriet, tegenslag of teleurstelling. We moeten er ook niet bang voor zijn, want juist langs die weg, langs de weg van de menselijke zwakheid, toont God zijn kracht. Dat doet Hij juist langs die weg van de menselijke zwakheid, en zo kan de mens zien, dat datgene wat aan hem gebeurt, van Godswege gebeurt en niet zijn werk is.
Het werk van de zelfheiliging is ons aller werk; het is het werk dat tot stand komt langs de weg van de zelfvernedering. Het door en door weten dat je een zondig mens bent en dáárin vooruitgang maken. Om door en door heilig te kunnen worden, moet je door en door weten dat je een zondig mens bent, en allerlei zwakheden, psychische zwakheden, geestelijke zwakheden, zonden, kunnen ons daarbij vooruithelpen in plaats van achteruit.