Donderdag in de vijfentwintigste week
             van het even jaar


Eerste lezing: Prediker 1,2-11
Evangelie: Lucas 9,7-9


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd hoorde de viervorst Herodes alles wat Jezus deed  
en hij wist niet wat hij er van denken moest.
Sommigen immers zeiden:
“Johannes is verrezen uit de doden;”
anderen: “Elia is verschenen;”
en weer anderen: “een van de oude profeten is opgestaan.”
Maar Herodes zei:
“Johannes heb ik onthoofd.
Wie kan dat zijn over wie ik dergelijke verhalen hoor?”
Hij wilde Jezus daarom te zien krijgen.

Homilie    

“Wie kan dat zijn over wie ik dergelijke verhalen hoor?”
Dat is de vraag die Jezus oproept: “Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft? (Lc 7,49). “Wie is Hij toch dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen? (Mt 8,27; vgl. Mc 4,41; Lc 8,25). Maar ook Jezus zelf confronteert zijn leerlingen met: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?" (Mc 8,27; vgl. Mt 16,13; Lc 9,18).

Bij de aartsengelen is er één die de naam Michaël draagt, dat betekent: 'Wie is als God?' Je moet dus wel weten naar aanleiding van wie je die vraag stelt. Dat bracht Herodes zich eigenlijk te weinig te binnen. Jezus was in het nieuws, zoals mensen in onze dagen. Men wil van Hem horen, men wil over Hem lezen, men wil Hem te zien krijgen, en er op die manier bijhoren. Zoals mensen een roman die in het nieuws is, gelezen moeten hebben, en vrome mensen zonodig bepaalde vrome boeken gelezen moeten hebben.

Maar als je zo te werk gaat, waar hoor je dan bij? Dan hoor je bij de mensen, maar dan ben je eigenlijk niet op de goede manier met God bezig. Dat moet namelijk iets heel zelveloos zijn, en dat houdt in dat je de bereidheid moet hebben jezelf op te geven. Dan pas mag je horen, mag je weten, wie Jezus is. Dat was Herodes nu juist niet van plan, hij wilde Hem een plaats geven, zodat hij Hem kon overheersen, kon beheersen, zodat hij Hem in zijn macht kreeg. Kijk maar wat hij met Johannes de Doper deed. Hij had hem gevangen gezet, en om de gunst van de hoogwaardigheidsbekleders te behouden laat hij hem tenslotte, tegen zijn eigen wil in, vermoorden. Daar gaat het dus om.

Wie is Jezus? Je krijgt pas een antwoord op die vraag als je weet wie je zelf bent. Als je weet dat je niet iemand bent die een eigen bestaan heeft, een eigen wil, een eigen ik, een uit zichzelf onafhankelijke persoon. Jezus antwoordt op de vraag wie Hij is als je bereid bent je 'ik' geheel en al te laten bepalen door het antwoord op die vraag: Hij is Hij, en ik ben niets. Dat is een moeilijke opgave voor de mens, die sinds de zondeval altijd gecentreerd is, georiënteerd is op zichzelf, op het zichzelf handhaven. Hoe groot of klein zijn macht ook is, uiteindelijk is hij niet bereid de macht die hij heeft, de macht van zijn eigen ik, los te laten. Maar wij staan op de plaats van Jezus, die alles is, maar ook tegelijkertijd niets, bereid om Zichzelf los te laten, over te geven in de handen van zijn Vader.

Dat is nu wat er voor ons in de eucharistie gebeurt. Wij worden in de actualiteit van dat gebeuren aan het kruis opgenomen. "In uw handen beveel Ik mijn geest" (Lc 23,46), beveel ik mijn ik, weet ik mijn ik bij U veilig, door de dood heen. Als ons dus onze plaats gewezen wordt, als we worden gekleineerd, als we worden vernederd, maar ons daarin verenigen met Jezus, kunnen we ons opnieuw veilig weten. Vernederd door de mensen, vernederd door onze eigen natuur, vernederd door de geschiedenis, maar opgeheven door Hem, in zijn liefde.