Eerste lezing: Prediker 3,1-11
Evangelie: Lucas 9,18-22
Inleiding
We beginnen de eucharistieviering altijd met een boete-akt, een schuldbelijdenis. We leggen tegenover God verantwoording af en maken ons bewust van onze schuld, van onze totale afhankelijkheid van Hem en we doen dat in de zekerheid dat het antwoord op onze schuld barmhartigheid is, vergeving. We gaan vrijuit, we kunnen opnieuw beginnen en zo ons geschikt maken om zijn woord en zijn zelfgave te ontvangen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Toen Jezus eens alleen aan het bidden was
en zijn leerlingen bij Hem kwamen,
stelde Hij hun de vraag:
Wie zeggen de mensen dat Ik ben?
Zij antwoordden:
Johannes de Doper;
anderen zeggen: Elia,
en weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan.
Hierop zei Hij tot hen:
Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?
Nu antwoordde Petrus:
De Gezalfde van God.
Maar Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen.
De Mensenzoon
- zo sprak Hij -
moet veel lijden en door de oudsten,
de hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden,
maar na ter dood te zijn gebracht,
zal Hij op de derde dag verrijzen.
Homilie
Wat we in de eerste lezing uit het boek Prediker hoorden, is geen opwekkende kijk op het leven: "Alles heeft zijn uur en ieder ding dat onder de hemel gebeurt, heeft zijn tijd. Of je nu dit doet of dat, of je nu begint of eindigt, wat heeft het voor zin, wat maakt het uit? Wat heeft de werker voor baat bij datgene waarmee hij zich moe maakt?
God overziet het. Hij heeft alle dingen uitstekend gemaakt. Maar voor de mens is het niet inzichtelijk wat de zin ervan is. God heeft in het hart van de mens de wereld gelegd - Hij laat hem over alles nadenken - maar toch kan de mens het werk niet bevroeden, dat God van het begin tot het einde verricht heeft."
Je zou kunnen zeggen: in de mens slaat de natuur zijn ogen op en merkt dat ze bestaat. De mens weet dat hij leeft en zo weet de natuur door de mens dat zij leeft. In de mens is de natuur als het ware boven zichzelf uitgestegen, en zo is het ook in het evangelie. Wat er met de mens is? De mensen weten het niet. Daarom is de verhouding die er is tussen de stomme natuur en de levende mens, die weet dat hij leeft, diezelfde verhouding als tussen de mensen die niet geloven en mensen die geloven. Een gelovige mens komt tot bewustzijn wie hij is, gaat de zin van het leven inzien. Hij komt tot bewustzijn wie hij is, maar ook wie Jezus is. Want zo zeggen immers de woorden van de Schrift: "Wie zeggen de mensen dat Ik ben?" Dan komen er een aantal verschillende antwoorden. De een zegt dit, de ander dat: Johannes de Doper, Elia, een van de oude profeten. Die antwoorden komen op één punt met elkaar overeen: dat Jezus een profeet is; maar niet dé profeet, want ze menen toch nog langs Hem heen te kunnen, ze zijn niet aan Hem gebonden, ze kunnen Hem zo weer laten vallen, ze willen zich niet op Hem vastleggen.
Na deze antwoorden aanhoord te hebben, richt Jezus zijn vraag tot de leerlingen: "Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?" Blijkbaar verwacht Jezus van zijn leerlingen een ander antwoord dan van de mensen. Blijkbaar zijn de leerlingen anders. Niet dat zijzelf andere mensen zijn, maar zij zijn anders gewórden in de omgang met Jezus, die anders is. Dat is nu de Kerk. De Kerk is door de sacramenten, door het sacrament van het doopsel en door het sacrament van de heilige eucharistie, getranssubstantieerd, omgevormd in Hem. Maar ze hadden toen het sacrament van de eucharistie toch nog niet ontvangen, of het sacrament van het doopsel!? Dat is wel zo, maar door met Jezus om te gaan wórden zij anders. Jezus is het sacrament van God.
Er is een heilige, Vincentius a Paulo, van wie wij morgen de gedachtenis vieren, die er om bekend stond dat hij enorme, uitgebreide werkzaamheden verrichtte; hij gaf geestelijke oefeningen, riep stichtingen in het leven, leidde gemeenschappen, richtte werken van barmhartigheid op. Zoveel verschillende en tijdrovende bezigheden dat het gewoon onbegrijpelijk is dat die man nog voor iets anders tijd heeft kunnen maken en voor anderen tijd kon hebben. Toch leest men van hem dat zijn deur altijd voor anderen openstond, dat hij tijd had voor iedereen, en dat ontelbare mensen daar dan ook gebruik van maakten. Bedelaars, evengoed als hertogen en hertoginnen, liepen de deur bij hem plat. Hoe kan dat?
Wellicht zat de zaak zo. Natuurlijk kon hij al zijn bezoekers maar korte ogenblikken van zijn tijd geven. Hij kon niet in die zin aan de wonderbare tijdvermenigvuldiging doen, dat hij die korte tijd op een of andere wonderbaarlijke manier vermenigvuldigde, maar in die enkele ogenblikken die hij voor ieder had, gaf hij zich helemaal, zodat zijn bezoekers het gevoel hadden dat zijn hart hen in die luttele minuten toebehoorde, alsof zij een tijdje konden rusten aan het Hart van God. Het was alsof ze daar in de ruimte van die persoon omgeven werden door de rust en de gelatenheid van de Eeuwige. Daarom hadden ze, nadat ze bij hem waren weggegaan, het gevoel alsof hun een mateloze tijd was geschonken. Maar het was niet de tijd, maar een persoon, de Eeuwige Persoon in deze tijdelijke persoon, die zij hadden ontvangen.
Als zoiets al mogelijk was bij een heilige, hoeveel te meer is zoiets dan mogelijk bij de Heer?! Door met Hem om te gaan, gingen ze met de Eeuwige om, gingen zij om met Degene die gezegd heeft: "Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29). Dus door alle handelingen, woorden, bezigheden en gebeurlijkheden heen, bleven zij altijd in contact met het Hart van Jezus, met het Hart van God, en via zijn Hart bleef Jezus van zijn kant altijd in contact met zijn leerlingen. Een hartelijk contact, dat is een contact dat diep gaat. Een hartelijk contact, een liefdevol contact, daarmee kun je een ander veranderen, altijd door. En die hartelijke contacten zijn neergelegd in het woord van God, waarnaar wij mogen luisteren, en in de sacramenten, die wij mogen ontvangen, zijn zelfgave.