Zalige Benedictus Jozef Dusmet OSB, bisschop
Eerste lezing: Haggai 1,15b-2,9
Evangelie: Lucas 9,18-22
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Toen Jezus eens alleen aan het bidden was
en zijn leerlingen bij Hem kwamen,
stelde Hij hun de vraag:
Wie zeggen de mensen dat Ik ben?
Zij antwoordden:
Johannes de Doper,
anderen zeggen: Elia,
weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan.
Hierop zei Hij tot hen:
Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?
Nu antwoordde Petrus:
De Gezalfde van God.
Maar Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen.
De Mensenzoon - zo sprak Hij -
moet veel lijden
en door de oudsten,
de hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden,
maar na ter dood te zijn gebracht
zal Hij op de derde dag verrijzen.
Homilie
Wie is Jezus? Gisteren zagen we dat alleen God dat kan zeggen, dat alleen Hij dat kan openbaren. Daarom stelt Jezus deze vraag aan de leerlingen vanuit het gebed: "Toen Jezus eens alleen aan het bidden was
," nadat Hij - om het zo maar eens te zeggen - in het gebed van Godswege had gehoord wie Hij is, zoals bij het doopsel in de Jordaan: "Je bent mijn Zoon, mijn veelgeliefde (Mc 1,11). Vanuit dát gebed, vanuit díe openbaringssituatie waarin God spreekt, waarin God bevestigt, stelt Jezus de vraag: Wie zeggen de mensen dat Ik ben?"
We weten al dat de leerlingen een slag slaan naar het antwoord. Ze weten het ook niet en antwoorden dan ook maar wat de mensen zeggen: "Johannes de Doper, Elia, of een van de oude profeten. In ieder geval moet Hij iets profetisch hebben, maar verder komen de mensen niet. In die tijd hoorde de viervorst Herodes niet alles wat Jezus zei, maar alles wat er gebeurde (Mc 9,7). Jezus baarde met wat Hij deed opzien bij de viervorst Herodes. Deze vroeg zich dan ook af: Wie kan het zijn over wie ik dergelijke verhalen hoor?" (Mc 9,9) Niet aan wat Jezus zegt, kun je zien dat Hij meer is dan een van de profeten, maar aan wat Hij doet, aan wat er van Hem uitgaat. Hij heeft iets van God, want het is eigen aan God om niet zomaar iets te zeggen, maar ín het zeggen te doen, te scheppen. "Toen sprak God: Er moet licht zijn! En er was licht" (Gn 1,3). Zijn woord is scheppend. Heel de geschiedenis en het geloof van het volk Israël drijft op een daadwerkelijk ingrijpen van God in de geschiedenis: de bevrijding uit Egypte. Het is God die Israël uit Egypte, uit het slavenhuis heeft bevrijd. Zoals ook vandaag weer wordt gememoreerd: "Ik houd Mij aan de belofte die Ik gedaan heb toen gij uit Egypte zijt weggetrokken. Mijn geest blijft in uw midden; weest niet bevreesd."
Het is een God van de daad, een doe-God, een werk-God. Zijn Woord is een werkzaam Woord. Geen tekenen, maar wij zouden zeggen: een sacrament, een teken dat bevat wat het aanduidt. Maar er zijn toch mensen die het goede antwoord kunnen geven. Jezus vraagt aan de leerlingen: "Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? De Gezalfde van God antwoordt Petrus dan. De door Gods Geest gezalfde. God komt erin voor. Van een andere evangelist weten we hoe Jezus daarop reageert: "
niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is" (Mt 16,17). Dat kan niet anders dan van God komen! Mensen kunnen het wel zeggen, maar de oorsprong van het Woord en de inspiratie is goddelijk.
Maar van diezelfde God, die zoveel doet en zoveel opzien baart door wat Hij doet, zegt Hij eveneens: "De Mensenzoon moet veel lijden." Dat betekent: omwille van wat Hij voor ánderen doet. Moet veel lijden, moet veel over zijn kant laten gaan. Dat woord 'veel' is een suggestief woord, veel, eindeloos veel. Jezus lijdt aan álles wat er maar te lijden is, aan alles wat mensen in de verhouding met elkaar moeten verduren, in de verhouding met de natuur, in de verhouding met God. Hij doet er niets aan, Hij lijdt eraan, Hij draagt het, Hij duldt het, Hij verduurt het, zodat Hij alle lijden, alles wat mensen maar kunnen lijden, in zijn lijdzame ziel heeft gedragen en verdragen.
Toen allen verbaasd waren over alles wat Hij deed, sprak Jezus tot zijn leerlingen: "Hebt een open oor voor wat Ik u zeg. De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen van de mensen" (Lc 9,44), zo zullen we morgen horen in het evangelie.
"De Mensenzoon moet veel lijden." Dat is de grootste daad. Zijn grootste daad is een liefdesdaad. 'Dit is mijn Lichaam voor u.' Hier heb je alles wat Ik te geven heb. Ik ben het zelf. Dat kan alleen in het lijden worden getoond en gegeven. Dat is wat we in elke eucharistie vieren. Na het woord, dat ook een doe-woord is, het sacrament, zijn lijden, zijn Lichaam.