Eerste lezing: Ezra 6,7-8.12b.14-20
Evangelie: Lucas 8,19-21
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd kwam zijn moeder met zijn broeders bij Jezus,
maar vanwege de menigte konden zij Hem niet bereiken.
Men liet Hem dus weten:
Uw moeder en uw broeders staan buiten en willen U spreken.
Maar Hij gaf hun ten antwoord:
Mijn moeder en mijn broeders zijn zij
die het woord van God horen en ernaar handelen.
Homilie
Wij zijn hier bijeen gekomen om bij Jezus te zijn, zoals toentertijd zijn moeder met zijn broeders bij Jezus kwamen. Maar dat gaat niet zomaar. We moeten eerst luisteren naar het Woord van God, en dat Woord van God zegt ons dat wij pas bij Hem kunnen komen als zijn familie, die eenheid beleven zoals een familie die heeft, als we niet alleen luisteren naar zijn Woord maar er ook naar handelen. We kunnen pas bij Hem komen als wij ons leven daarop willen inrichten, als we bereid zijn om te leven volgens zijn Woord, zodat wij een volk van God worden. Wanneer de Joden zijn teruggekeerd uit de ballingschap bouwen ze eerst een huis voor God. Hun identiteit wordt bepaald door God, door de verering van God, door de dienst van God. Ze zijn dus pas echt terug wanneer ze hun middelpunt, hun centrum hebben: de tempel. Dat hebben we gisteren kunnen horen: "De familiehoofden van Juda en Benjamin, de priesters en de levieten, allen wie God het ingaf, troffen voorbereidingen voor de terugreis, om de tempel van de Heer in Jeruzalem weer op te bouwen" (Ezr 1,5).
Ook vandaag horen we hoe koning Darius aan de stadhouders uit dat gebied zegt: "Laat het werk aan de tempel doorgaan, zodat de stadhouder van Juda en de oudsten van de Joden de tempel op zijn vroegere plaats kunnen herbouwen. En aan het einde horen we ook hoe de tempel klaar kwam op de derde dag van de maand Adar, en hoe daarop de Israëlieten, priesters en levieten en alle teruggekeerde ballingen met vreugde de inwijding van de tempel vierden.
Zij vierden het Paasfeest op de veertiende dag van de eerste maand. De priesters en de levieten hadden zich allen geheiligd, zodat zij allen rein waren. Zij slachtten het paaslam voor alle teruggekeerde ballingen, voor hun medepriesters en voor zichzelf." Het volk van God heeft als middelpunt van hun leven en samenleven de tempel, en in die tempel wordt het paaslam geslacht.
Jezus gaat een nieuw volk stichten, een nieuw begin maken. Hij laat geen tempel bouwen, want Hij is zelf de tempel, Hij is zelf het woord van God en Hij is zelf het paaslam. Hij alleen, zonder zijn familie, zonder allerlei andere instellingen, als functie voor de familie om wortel te schieten in het menszijn en in het menselijk geslacht. Alle instellingen worden in Hem opgenomen. Die functie had het Oude Verbond ook voor Jezus. Het Woord van God kon door het Oude Verbond wortel schieten in het mensdom. In het Oude Verbond werd ingeoefend dat, wat God betekent voor één volk, Hij ook kan betekenen voor alle volkeren. Zonder dat Oude Verbond zou de hele heilsgeschiedenis in de lucht komen te hangen, want zonder volk geen taal om Zich in uit te drukken, geen milieu voor Jezus om in geboren te worden, om in op te groeien, Zichzelf in uit te drukken. Het volk is ervoor om God vlees en bloed te kunnen laten worden.
De familie heeft dus een nuttige functie, een onvermijdelijke, onmisbare functie, maar het is een beperkte functie en die beperking zien we vandaag in het evangelie. Die functie van de familie moet ook worden losgelaten, die familie moet worden afgestoten. Dat gebeurde al enigszins in de ballingschap. God was in de ballingschap hun God zonder tempel, zonder eigen gebruiken, zonder land, zonder eigen culturele identiteit; ze waren vreemdelingen, bewoners van een getto. Het volk van God heeft daar al geleerd om zichzelf te overstijgen, zichzelf misbaar te maken. Het kon gemist worden als culturele en etnische identiteit. Dat is eigenlijk de boodschap, of de opdracht van de ballingschap: aan God trouw blijven zonder al die andere dingen die tot dan toe het draagvlak waren voor het geloof in God. De familie heeft rechten, ze kunnen van de familieleden verlangen dat zij zich aanpassen aan de gewoontes van de familie, aan de tradities, zich houden aan de bestaande kaders. Dat is dan ook de kracht van de familie en van alle gevestigde instellingen, ook van een congregatie, maar het is tegelijkertijd ook een beperking.
Jezus begint een nieuw volk, een nieuw volk van God dat niet leeft van wetten, van een cultuur, gewoontes, van tradities, waar allerlei beperkt menselijks in zit. Jezus had de opdracht een nieuw begin te maken, een begin waaruit alle zondigheid en onzuiverheid is weggezuiverd, waar alles alleen tot eer van God dient. De leerlingen, de eerstelingen van die nieuwe mensenfamilie, leefden alleen maar van het Woord van God.
Ook wij willen nu, net zoals de moeder en de broeders van Jezus, bij Hem komen, bij Hem aan tafel aanzitten, maar Jezus geeft ons eerst te kennen dat wij ons leven onder zijn Woord moeten stellen. Dat is wat we te horen krijgen in de woorddienst. En evenals zijn moeder en zijn broeders geen recht op Hem hebben - Hij liet ze buiten staan - zo krijgen ook wij te horen dat wij geen recht op Hem hebben, dat Hij Zich niet hoeft aan te passen aan ons, maar dat wij ons moeten aanpassen aan Hem. Je hebt pas echt contact met Jezus als je Hem echt vóór laat gaan voor het dierbaarste wat je hebt: je familie, geborgenheid, intimiteit. Hij vraagt dat je dat opgeeft, dat je dat haat. "Als iemand naar Mij toekomt, die vader en moeder, vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn (Lc 14,26). En in een andere versie staat: Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig" (Mt 10,37).
Als dat gebeurt, als Hij echt voor is gegaan, de eerste plaats heeft ingenomen, dan pas ga je weer iets merken van Hem, en wel met een veel grotere warmte, een veel grotere diepte en een veel sterkere intimiteit dan mensen kunnen hebben met hun eigen bloedverwanten, met degenen tussen wie ze zijn opgegroeid. Zij krijgen een nieuw lichaam, een nieuwe institutie, een Kerk maar zonder de beperkingen van de oude instituties, van de oude families. Eén lichaam dus, maar ook één Geest. De heilige Geest is de ziel van de nieuwe institutie, van de Kerk.