Eerste lezing: Hagaï 1,1-8
Evangelie: Lucas 9,7-9
Inleiding
'De Heer heeft zijn volk gevoed', zongen we in het openingslied. Was dat dan nodig? Ja, dat was nodig, want zij verkeerden in de woestijn en de gewone verbindingslijnen met de beschaafde wereld waren doorgesneden; voedsel, onderdak en bescherming waren weggevallen, en het volk hongerde. Toen heeft de Heer zijn volk gevoed! Hij is tussenbeide gekomen als een Redder in de nood. En gegeten hebben ze, hongerig als zij waren. Dat brood smaakte zoals rauwe bonen zoet smaken voor hongerige magen.
Hoe is dat met ons? Hebben wij honger, hebt u honger naar Hem? Verlangt u naar Hem? Verlangt u naar dit voedsel? U bent goed doorvoed, maar geestelijk kunt u toch nog honger hebben. Dat is de voorwaarde om deze eucharistie goed te kunnen vieren. En als die honger er niet is, mag u zich voorstellen dat Hij hongert naar u. Dat Hij verlangt om Zich met u te verenigen, Zich aan u weg te schenken.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd hoorde de viervorst Herodes alles wat er gebeurde
en hij wist niet wat hij ervan denken moest.
Sommigen immers zeiden:
Johannes is verrezen uit de doden;
anderen: Elia is verschenen
en weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan.
Maar Herodes zei:
Johannes heb ik onthoofd.
Wie kan dat zijn over wie ik dergelijke verhalen hoor?
Hij wilde Jezus daarom te zien krijgen.
Homilie
Dit volk denkt dat de tijd nog niet is gekomen, de tijd om het huis van de Heer te herbouwen", hoorden we zo-even voorlezen uit de eerste lezing. We krijgen vandaag een andere kijk op de tempelbouw te zien. Het eerste hebben we gezien in het boek Ezra - waaruit we de afgelopen dagen gelezen hebben - hoe de ballingen bij hun terugkeer maar één opzet hadden: de wederopbouw van de tempel. Dat was de inzet van het herstel. Niet hun land werd opgebouwd, de economie op poten gezet, de instellingen, het bestuur, de huizen, de openbare gebouwen weer hersteld. Nee, niets van dat alles, het ging alleen maar om de tempel, de tempel, en nog eens de tempel. De hele identiteit van het volk bestond uit eredienst. Het was een volk van God en uit God, door God in het leven geroepen, God dienend en naar God terugkerend. Zoals goede gelovigen, vrome mensen zich hun leven voorstellen: 'Dat al onze bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.' Het Joodse volk is daarmee begonnen, en wij staan in die traditie.
Maar nu blijkt dat het Joodse volk ook een volk is als andere volkeren. Ze laten hun eigen privé-belangen voorgaan op de belangen van God. Ze doen wel aan de dingen van God, maar alleen als het hun uitkomt en voor zover het hun uitkomt, voor zover ze tijd hebben, een beetje tijd over hebben, een beetje geld over hebben. De eigen belangen gaan voor. De Heer zegt daar dan ook over: "Dit volk denkt dat de tijd nog niet is gekomen, de tijd om het huis van de Heer te herbouwen.
maar het woord van de Heer, door de profeet Haggai gesproken, zegt: Is het voor u dan wel de tijd om zelf in uw eigen goed betimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis, het huis van de Heer, nog een ruïne is?"
Is het zo ook niet begonnen met de tempel? Het lijkt er een beetje op. Zelf in goed betimmerde huizen wonen en Gods woning een ruïne? Het lijkt een beetje op hoe het begonnen is. David zei tot de profeet Natan: "Nu moet u eens zien! Zelf woon ik in een paleis van cederhout en de ark van God staat onder een tentdoek!" (2 Sam 7,2)
God een woning verschaffen onder de mensen. Toen Salomo de tempelplannen van David ten uitvoer had gebracht, en de tempel inwijdde terwijl hij zelf voorging in een inwijdingsgebed, zei hij: "Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet te bevatten. Hoe dan deze tempel die ik gebouwd heb" (1 Kon 8,27).
De tempel is een symbool, een zinnebeeld, en dat geldt evengoed voor onze christelijke kerken. God zegt dat Hij Zich een tempel bouwt: "De Heer kondigt u aan dat de Heer een huis voor u zal oprichten" (2 Sam 7,11). Dat zegt God op de plannen van David om een tempel te bouwen. Ik zal zelf een tempel voor je bouwen, dat hoef jij niet te doen. En dat geldt dus ook voor ons, want de tempel die God Zich bouwt bestaat uit levende stenen. Zoals Petrus in zijn eerste brief zegt: "Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel" (1 Pe 2,5).
Het volk zelf, wijzelf zijn de tempel van God. Dat zeggen wij toch: 'Wij zijn de Kerk.' De Kerk dat zijn wij en de Kerk is het mystieke Lichaam van Christus.
Die tempel wordt door God gebouwd. Allereerst natuurlijk in Jezus. Door Jezus te bouwen. "Ikzelf zal u een tempel bouwen. Die spreuk van de profeet Natan is allereerst waar geworden in Jezus. Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.
Jezus sprak van de tempel van zijn lichaam" (Joh 2,19,21). Zijn Lichaam is de tempel waarin aan God de verschuldigde eer wordt gebracht. Op de plaats van de oude tempel is een nieuwe tempel getreden, een levende tempel en het offer dat gebracht wordt in die tempel, in de tempel van zijn Lichaam, is het offer van Zichzelf: 'Dit is mijn Lichaam voor u.'
Ook wij vieren nog steeds in diezelfde tempel datzelfde levensoffer. Maar wij voegen ook ons eigen offer in. Wij zijn zelf ook tempels, levende tempels, en wij kunnen dat, want, zegt Petrus: "Draagt als een heilige priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus. Daarom staat er in de Schrift: Ik leg in Sion een steen, een uitverkoren, kostbare hoeksteen. En wie op Hem vertrouwt zal niet worden teleurgesteld" (1 Pe 2,5,6).
Als je de offers van je leven invoegt in het offer van Jezus, in zijn zelfoffer, dan zijn die offers niet tevergeefs. Dat stijgt als een geurig offer naar God op.