Heilige engelbewaarders
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Exodus 23,20-23a [IV 106];
Evangelie: Matteüs 18,1-5.10 [IV 107]
Inleiding
Na het feest van de aartsengelen dat we afgelopen maandag vierden, nu ook het feest van de bewaarengelen, de engelbewaarders. Iedere mens heeft een engel. Iedere mens heeft Gods persoonlijke aandacht. Dat wordt door de engelbewaarder tegenwoordig gesteld, aanschouwelijk gemaakt. God blijft God, dat wil zeggen op een eindeloze afstand, maar door de engel komt Hij dichtbij, heel dichtbij, dicht bij ieder van ons. De engelbewaarders, de bewaarengelen, bewaren ons in Gods aandacht, in Gods liefderijke zorg. Wij weten niet waarom de engelen zijn geschapen. Misschien zijn zij wel geschapen om, als er eenmaal mensen zouden zijn geschapen, hen een idee te geven hoe God voor hen zorgt. Zij zijn geschapen om ons, kleine wezens die op een eindeloze afstand van God leven, zijn bijzondere bescherming, zijn persoonlijke nabijheid, voor ogen te stellen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd richtten de leerlingen tot Jezus de vraag:
Wie is nu wel de grootste in het rijk de hemelen?
Hij riep een klein kind,
zette het in hun midden en zei:
Voorwaar, Ik zeg u:
als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen,
zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan.
Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind,
is de grootste in het Rijk der hemelen.
En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt,
neemt Mij op.
Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten,
want Ik zeg u:
zij hebben engelen in de hemel
en dezen aanschouwen voortdurend
het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is.
Homilie
Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten." Wie zijn die kleinen? Dat zijn natuurlijk de kinderen, denk je. Jezus zette immers een kind in hun midden, een klein kind. En het wordt toch van een kind gezegd, dat het zichzelf gering acht. Het waren toch kinderen die ons tot voorbeeld werden gesteld. Dat is waar, maar in dat woord: "Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten" zijn we ongemerkt overgegaan van de kinderen naar de volwassenen, van de kleine mensenkinderen naar de grote mensenkinderen. De grote mensenkinderen die het hart van het kind hebben behouden, die opnieuw geworden zijn als een kind. Wat voor mensen mogen dat dan wel zijn? Grote mensenkinderen met het hart van een kind, zichzelf gering achtend als de kleine kinderen? Dat zijn zij die van God leven als kleine kinderen van hun ouders. 'Een van deze kleinen die in Mij geloven', die geloven in mijn liefde, zoals de kleine kinderen geloven in de liefde van hun ouders.
Als volwassene kan men eigenlijk alleen maar kind zijn, als men een volwassen houding heeft ten aanzien van de Vader in de hemel. Als men met zijn Vader in de hemel eenzelfde tedere verhouding heeft als het kleine kind ten opzichte van zijn aardse vader, of de kleinkinderen ten opzichte van opa. Voor een klein kind geldt: vader zorgt, opa zorgt. Voor ons, volwassen gelovigen, geldt: Vader in de hemel zorgt. Het loopt goed af. We zijn in goede handen. Daarmee wordt immers ook de plechtigheid van een begrafenis geheel en al omgeven. Doordrongen en omgeven van symbolen: het is de goedheid in persoon aan wie de overledene nu wordt toevertrouwd.
Kinderen en stervenden hebben iets met elkaar gemeen. Op het eerste gezicht lijkt er geen grotere tegenstelling denkbaar dan tussen het kind en de dood. Het kind verkeert in een fase van opbouw. Sterven is afbraak. Het kind begint een leven van zelfontplooiing. De stervende maakt een proces door van verval. Maar dat is de buitenkant. De binnenkant is: voor het kind en voor de stervende is het leven een geheim dat groter is dan het kan bevatten. Het kan het niet overzien. Dat geldt eigenlijk voor het leven van het kind altijd. Een kind is niet in staat op te brengen wat moet worden opgebracht. Voor het kind is het leven aan alle kanten te groot, te veel, te moeilijk. Kinderen verkeren dan ook, vooral als ze nog heel klein zijn, in een voortdurende noodsituatie, noodtoestand. Een gevoel van onveiligheid hoort daarbij, niet zelfgenoegzaam, waakzaam moeten zijn, zonder mogelijkheid je ergens te bergen, tenzij bij de ouders.
Voor de gelovige die bij het ouder worden het leven door zijn vingers ziet glijden, is er niets anders meer dan zich toe te vertrouwen aan God. Dat maakt hem tot gelovige. Daarin is de gelovige zichzelf. Als hij bezig is zichzelf te verliezen, krijgt hij een nieuwe geborgenheid waaraan hij zich kan toevertrouwen. Voor een kind en een stervende, voor beiden, is de zichtbare, tastbare werkelijkheid slechts de buitenkant, als het topje van de ijsberg, waarvan het grootste gedeelte onder water steekt. Het grootste gedeelte zie je niet. Beiden moeten ontvankelijk staan in het leven, het van anderen verwachten. De stervende kan leren van het kind. Dat geheim waaraan ik me móet overgeven, is een goed geheim, een geheim van goedheid.
"Vrees niet, Ik ben het" (Mt 14,27). Dat zegt Jezus natuurlijk niet alleen als het allemaal goed gaat, dan zegt Hij het ook, maar Hij zegt het ook als het niet goed gaat, als het helemaal niet goed gaat, als het de verkeerde kant uitgaat. Ook dan zegt Hij: 'Ik ben bij u.' Het komt goed, het wordt helemaal goed. Dat is ons geheim, dat we in iedere eucharistie vieren.