Donderdag in de zesentwintigste week
           van het even jaar
Eerste lezing: Job 19,21-27
Evangelie Lucas: 10,1-12


Inleiding  

In het evangelie horen we hoe de leerlingen er op uitgezonden worden: zonder beurs, zonder reiszak, zonder schoeisel, en niemand onderweg groeten. Zo zendt Jezus zijn zeventig leerlingen de wereld in, met als enige toerusting de kracht van zijn Geest. Elke andere toerusting zoals geld, kleding, voedsel, onderdak, wordt de leerlingen met evenveel woorden uitdrukkelijk en nadrukkelijk verboden. Ze moeten zich onderscheiden van andere missionarissen, zendelingen en rondtrekkende predikanten door hun totale armoede, omdat zij er op mogen vertrouwen dat God zelf de harten en de huizen van de mensen zal openen. Dit is ook werkelijk uitgekomen. Hoe hebben ze zich er dan doorheen geslagen? Was het werkelijk waar wat Jezus zei? We hebben daar een getuigenis van, een uitspraak van de leerlingen zelf. Jezus vroeg hun bij het afscheidsmaal, bij de instelling van de eucharistie, bij een gelegenheid zoals deze: "Toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak of schoeisel, hebt ge toen aan iets gebrek gehad? Ze antwoordden: Aan niets" (Lc 22,35). Want de Heer is hun Herder. Als Hij onze herder is, dan zal het ook ons aan niets ontbreken. 'Cibavit', 'Hij heeft ons gespijzigd met kostelijke tarwe, met honing uit de rots.' Die spleet in de rots is Jezus' hart. Daar komt bloed en water uit, een levensstroom. Dat geeft Hij ons mee nu wij de dag gaan beginnen. Hij geeft ons zijn liefde mee, als kostelijke tarwe, als voedsel voor de ziel. Daarmee kunnen wij alle moeilijkheden en alle opgaven van deze dag het hoofd bieden.
Beginnen we eerst met onze schuld voor God te belijden, dat wij nog op zoveel andere dingen onze zekerheid en onze veiligheid proberen te bouwen, om dit heilig geheim goed te kunnen vieren.


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd wees de Heer tweeënzeventig anderen aan
en zond hen twee aan twee voor Zich uit
naar alle steden en plaatsen
waarheen Hijzelf van plan was te gaan.
Hij sprak tot hen:
“De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig.
Vraag daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten.
Ga dan,
maar zie, Ik zend u als lammeren tussen de wolven.
Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel
en groet niemand onderweg.
Laat in welk huis ge ook binnengaat uw eerste woord zijn:
Vrede aan dit huis!
Woont daar een vredelievend mens,
dan zal uw vrede op hem rusten;
zo niet, dan zal hij op u terugkeren.
Blijft in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden,
want de arbeider is zijn loon waard.
Gaat niet van het ene huis naar het andere.
In elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt,
eet wat u wordt voorgezet, geneest de zieken die er zijn
en zegt tot hen: Het rijk Gods is u nabij.
In elke stad waar ge binnengaat en niet ontvangen wordt,
trekt daar door de straten en zegt:
Zelfs het stof uit uw stad dat aan onze voeten kleeft,
schudden wij tegen u af.
Maar weet dit wel: het rijk Gods is nabij.
Ik zeg u: Op die dag zal het voor de mensen van Sodom
dragelijker zijn dan voor die stad.”


Homilie  

'Laat mij met rust', zegt Job tegen zijn vrienden. "Heb medelijden met mij, want de hand van God heeft mij geslagen. Waarom mij vervolgen zoals God?" Vandaag zien wij Job in zijn uiterste ontluistering. God heft Zich tegen hem op en zijn vrienden vinden: als je lijdt, heb je schuld, want zo was het godsbeeld van die dagen. Als je veel te lijden hebt, heb je veel schuld en als je één en al lijden bent, zoals Job, ben je één en al zonde. Onschuldigen laten lijden, dat zou God als onrechtvaardig voorstellen. Dat kun je God niet in de schoenen schuiven. Zoiets doet God niet. Nee, straf voor de zonde, dát was de oude leer. En daar gingen de vrienden van Job hem mee te lijf. Ze laten hem niet met rust.

In eerste instantie kon Job een beetje meegaan met die oude leer: "Ja, ik weet het, je hebt gelijk; tegenover God staat niemand in zijn recht, geen mens” (Job 9,2). Maar vandaag smeekt Job zijn vrienden: “Heb medelijden met mij. Waarom mijn vege lijf niet met rust gelaten?" Vervolg mij niet met jullie verdachtmakingen, die jullie mij onder ogen brengen. Daarmee wrijven jullie als het ware zout in de wonde die God mij toegebracht heeft.
God laat Job vallen, zijn vrienden laten hem in de steek en nu is hij helemaal nergens meer. Maar op dat dieptepunt, zonder enig houvast bij God, zonder houvast bij zijn vrienden, zonder rustpunt in deze wereld en zonder rustpunt in de andere wereld, breekt er een nieuw bewustzijn in hem door. Dat was wat in de tollenaar, die achter in de tempel bleef staan, doorbrak: "God, wees mij, zondaar, genadig” (Lc 18,13). Genade! Daar gaat het om. “Ik weet, ik ben er zeker van: mijn verdediger leeft." Mijn Losser (zo'n woord staat er), mijn Verlosser, onze oudste broer Jezus, gaat het losgeld betalen voor onze rechtvaardiging, voor onze bevrijding. Hij heeft de prijs betaald. Dat bewustzijn, dat voorgevoel, leefde al in Job. "Mijn verdediger leeft, op het laatst zal Hij de arena (van de geschiedenis) binnentreden. En al ben ik nog zo geschonden, Ik zal God zien vanuit dit (geschonden) lichaam. Aan mijn zijde zal ik Hem zien, met eigen ogen; ik sterf haast van verlangen."

Er hoeft niemand voor ons op te komen, niemand hoeft ons te rechtvaardigen, ook ons geweten mag ons aanklagen, want de Heer zal ons rechtvaardigen, niet op grond van onze rechtvaardigheid, van onze goedheid, van onze goede werken, van wat er nog goed is in ons, maar op grond van zíjn goedheid. God is goed; barmhartig, wil dat zeggen, genadig. Wij worden gerechtvaardigd door zijn barmhartigheid!

Daarom, als je door de Heer gezonden wordt, zoals die zeventig leerlingen in het evangelie van vandaag de wereld ingezonden worden naar alle niet-joodse volkeren, zeventig in getal, dan hoef je je niet in te dekken tegen alle mogelijke risico's, in tegendeel, de gezondene laat zien door wie hij gezonden wordt en dat doet hij door zich volstrekt weerloos op te stellen. Goedheid is zijn enige wapen. Geen beurs, geen reiszak, geen schoeisel, niet van die uitgebreide begroetingen, omhelzingen, die in het oosten gebruikelijk zijn, om je als het ware een geestelijke bescherming te verzekeren in een vreemde omgeving. Het is een wereldvreemde opstelling, maar daardoor, door die wereldvreemde opstelling, wordt iets opgeroepen van een buitenwereldlijke bescherming. "Ik weet”, geeft Jezus Job in, “ik ben er zeker van: mijn verdediger leeft. Op het laatst zal Hij de arena binnentreden."

Op het laatst van de geschiedenis zal God de arena van de geschiedenis binnentreden en zijn uitverkorenen, zijn zendelingen, gelijk geven. Wees niet bang, de Heer is met je. Het is de Heer, de Heer van de oogst, die aan onze kant staat. Dat bewustzijn zal ons deze dag begeleiden, nu wij ons met zijn woord hebben gevoed én met zijn zelfgave.