Heilige Michaël en alle heilige engelen
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Daniël 7,9-10.13-14 of: Apocalyps 12,7-12a
Evangelie: Johannes 1,47-51
Inleiding
'Zegent de Heer alle engelen, die zijn Woord doen en zijn Woord verstaan!' Dat betekent dat ze niet hun eigen woorden spreken, niet luisteren naar wat ze elkaar te zeggen hebben, maar dat ze luisteren naar wat God zegt. Daar gaat hun wezen in op. Engelen van God, die het Woord van God beluisteren en uitvoeren in de dienst van God. Stel je eens voor dat je in je leven nooit woorden spreekt die uit jezelf voortkomen, maar dat je alleen woorden spreekt die je gehoord hebt van een ander. Dat is bijna ondenkbaar. Toch is dat wat de engelen bezielt. Hun leven bestaat uit het luisteren naar en het doen van het Gods Woord. Daarin gaan ze onder, daarin verliezen ze hun eigen gezicht. Zij hebben dan ook geen eigen gezicht, want als ze worden afgebeeld, zien ze er allemaal hetzelfde uit. Engelen zijn engelen van God. Dát is hun identiteit. Ze zijn van Godswege gezonden, zoals de engel Gabriël.
Als wij onze schuld belijden, doen we dat niet alleen voor de heiligen en voor Maria, maar ook voor alle engelen. Ze zijn bij ons tegenwoordig bij de viering van de eucharistie, zoals in het Sanctus tot uitdrukking komt.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij, staande op de plaats van de engelen, meer onszelf dienen, onze eigen naam, onze eigen eer, dan de Naam van God.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zag Jezus Natanaël naar Zich toekomen
en zei, doelend op hem:
Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!
Natanaël zei tot Hem:
Hoe kent Gij mij?
Jezus gaf hem ten antwoord:
Voordat Filippus u riep
zag Ik u onder de vijgenboom zitten.
Toen zei Natanaël tot Hem:
Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods.
Gij zijt de Koning van Israël.
Jezus antwoordde:
Omdat Ik u zei dat Ik u onder de vijgenboom zag, gelooft gij?
Gij zult grotere dingen zien dan deze.
En Hij voegde er aan toe:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
ge zult de hemel open zien
en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen
in dienst van de Mensenzoon.
Homilie
Jezus zag Natanaël naar Zich toekomen en doelend op hem zei Hij: "Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!" Dat roept, eigenlijk als vanzelf, de vraag op: 'Wie is dan die Israëliet in wie wél bedrog was of is?' Daarbij denkt de Israëliet aan geen ander dan aan Jakob, die zich langs de weg van bedrog meester maakte van het eerstgeboorterecht. Deze Jakob echter komt om nog een andere reden in Jezus' gedachten. Jakob had namelijk een droom, een visioen mogen we wel zeggen, en wat hij daarin zag, sloeg waarschijnlijk op wat hij in de werkelijke wereld had gezien.
In de wereld waarin hij leefde, was er een wereldwonder te zien: een tempel, gebouwd in het land waar hij vandaan kwam, het land van Abraham, de grootvader van Jakob. Een tempel zo hoog als een berg, als de toren van Babel, en om tot de ingang van die tempel te komen, werd, zoals dat hoort bij een tempel, de weg daartoe geleidelijk aan omhoog gevoerd door traptreden. Niet zomaar enkele trapjes, maar trappen die vijfentwintig meter omhoog voerden. Daar, eenmaal binnen in die tempel speelde zich de liturgie af; de priesters en hun dienaren in witte of gouden gewaden schreden die trappen op en af.
Toen Jakob op zekere dag onder de blote hemel lag te slapen - het was de eerste nacht nadat hij het ouderlijk huis had verlaten - kreeg hij een droom. "Hij zag een ladder die op de aarde stond en waarvan de top tot in de hemel reikte. Langs die ladder gingen Gods engelen op en af." Dit zag hij als een inleiding op het eigenlijke gebeuren, het was nog maar een intrede, zoals dat bij dat tempelgebouw ook is. "Ineens stond Jahwe bij hem en zei: Ik ben Jahweh, de God van uw vader Abraham en de God van Isaäk. Het land waarop gij ligt, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven.
Ik ben met u. Ik zal u behoeden waar gij ook gaat en u terugvoeren naar dit land. Want Ik zal u niet verlaten tot Ik mijn belofte heb vervuld (Gen 28,10-16).
Jakob was eenzaam, ver weg van huis; hij was alleen, maar God was hem nabij. Weg van huis kwam hij bij God thuis! Ik ben met u. En zo is Betel ontstaan. Jakob werd wakker en riep uit: Waarlijk, Jahweh is op deze plaats en ik wist het niet. Hij werd bevreesd en zei: Ontzagwekkend is deze plaats! Dit kan niets anders zijn dan het huis van God en de poort van de hemel.
Hij noemde die plaats Betel" (Gen 28,16-19), 'bet' voor huis en 'el' voor God.
Dit was een gebeuren tussen Jakob en God, maar wij worden in dat gebeuren opgenomen, want Jezus spreekt in dit evangelie over meervoud. "Gij - jullie - zult grotere dingen zien. Wij zijn voor Jezus de ware Jakob, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is." Wij zijn de ware zieners, die in het echt zien wat Jakob in een droom zag.
Wat wil de evangelist ons nu eigenlijk laten zien? De engelen? Jawel, maar de engelen als dienende geesten, als engelen van God, engelen van de Heer, die "voortdurend het aangezicht aanschouwen van mijn Vader die in de hemel is" (Mt 18,10). Engelen zijn als het ware priesterlijke hovelingen in een hemelse, goddelijke eredienst. De evangelist wil ons in dit Jezuswoord, op deze plaats in het evangelie laten zien - het staat helemaal aan het begin van het evangelie van sint Jan - wie wij in Jezus voor ons hebben. Engelen dienen Hem. De evangelist wil ons dus Jezus laten zien als een plaats van openbaring, zoals bij zijn doopsel: "De hemel ging open en de heilige Geest daalde over Hem neer en een stem uit de hemel sprak
(Mt 3,16). En in de woestijn: Engelen kwamen om Hem hun diensten te bewijzen" (Mt 4,11). Zo is Jezus voor ons de plaats van God, de plaats van Gods openbaring.
Engelen gingen op en af. Dat houdt de heilige Benedictus in zijn regel ons voor als de wijze waarop wij God moeten dienen. 'Daarom broeders, als wij de toppen van de hoogste nederigheid willen bereiken, als we snel willen komen tot de hemelse hoogte waarnaar men opklimt langs de nederigheid in het aardse leven, dan moeten wij voor de opvaart van onze daden die ladder oprichten die aan Jakob in zijn droom verschenen is en waarlangs hij engelen zag afdalen en opklimmen' (Regel van Benedictus VII,5-9)).
Afdalen en opklimmen wil niets anders zeggen dan dat wij door op te klimmen juist afdalen. Door de hoogmoed dalen wij af. Hoogmoed komt voor de val. En andersom: door af te dalen klimmen wij op; door nederigheid klimmen wij omhoog. De kleine Theresia hoorde haar zus eens verzuchten: 'O, wat moet ik allemaal nog bereiken om de top van de volmaaktheid te bereiken. Hoe hoog moet ik nog klimmen en hoe lang duurt het nog voordat ik die top heb bereikt?' En toen zei ze: 'Je begrijpt er eigenlijk niets van. De weg omhoog gaat via de weg omlaag.'
Het is een kwestie van loslaten, een kwestie van afdalen tot dat vruchtbare dal van de nederigheid. Men beklimt de top van de volmaaktheid door af te dalen. O zo moeilijk voor mensen, omdat de nederigheid zo dwars ingaat tegen de grondaanleg van het zondige mensenhart. We willen groot zijn, sterk, en ons boven anderen verheffen. Wij willen zijn als God.
Dat afdalen tot dat vruchtbare dal van de nederigheid krijg je uit jezelf niet voor elkaar. Het gaat tegen alles in. Maar in verbondenheid met de Mensenzoon die opklimt en afdaalt, is het te doen. Dat zegt Hij ook zelf: "Leert van Mij, Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29). Je kunt het van Hem leren, niet alleen doordat Hij het beter kan dan jijzelf, als een soort voorbeeldfunctie, maar je kunt het van Hem leren doordat je samen met Hem de levensweg doorgaat die Hij is doorgegaan. Hij gaat het opnieuw met je doen, nu hier in de eucharistie. Jezus, wiens Hart vervuld is van nederigheid en zachtmoedigheid, Hij leert het je als het ware spelenderwijze. Dat is wat wij in iedere eucharistie als dé grote genade mogen verwachten en ontvangen.