Zaterdag in de zesentwintigste week
           van het oneven jaar
                               Maria op zaterdag
                    Zalige Columba Marmion, abt


Eerste lezing: Baruch 4,5-12.27-29
Evangelie: Lucas 10,17-24


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd keerden de tweeënzeventig
vol blijdschap terug en zeiden:
“Heer, zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons door uw Naam.”
Jezus zei hun:
“ Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.
Ik heb u macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden,
te heersen over heel de kracht van de vijand;
en niets zal u kunnen schaden.
Toch moet gij u niet verheugen over het feit
dat de duivels aan u onderworpen zijn,
maar verheugt u omdat uw namen staan opgetekend in de hemel.”
Op dat uur jubelde Hij het uit, vervuld van de heilige Geest,
en Hij sprak:
“Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt
voor wijzen en verstandigen,
maar ze hebt geopenbaard aan kinderen.
Ja, Vader,
zo heeft het U behaagd.
Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven.
Niemand weet wie de Zoon is tenzij de Vader;
en wie de Vader is, tenzij de Zoon
en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren.
Daarop keerde Hij Zich naar zijn leerlingen afzonderlijk
en Hij zei tot hen:
Gelukkig de ogen die zien wat gij ziet.
Ik zeg u:
vele profeten en koningen verlangden te zien wat gij ziet,
maar ze hebben het niet gezien;
en te horen wat gij hoort,
maar ze hebben het niet gehoord.”

Homilie  

“Gelukkig de ogen die zien wat gij ziet."
Dat zegt Jezus alleen tot zijn leerlingen, dat zegt Hij alleen tot ons. Gelukkig wij die zien, gelukkig wij die zien in het geloof. En wat zien we dan?
Wat is er zo goed als God? Of beter, is er enig ander goed dan God alleen? Daarom zegt de heilige ziel, die iets heeft ervaren van de onvergetelijke luister, schittering en schoonheid, aangestoken door de vlam van de liefde: 'mijn ziel dorst naar God, naar God die leven is. Wanneer mag ik naar God opgaan en voor God verschijnen?' (H. Bruno)

Gelukkig de ogen die zien wat wij zien. Wij zijn een uitverkoren volk, uitverkoren boven de generatie vóór Jezus' komst, want: "Vele profeten en koningen verlangden te zien wat gij ziet, maar ze hebben het niet gezien; en te horen wat gij hoort, maar ze hebben het niet gehoord.” We zijn ook uitverkoren boven onze omgeving, niet-katholieken en niet-gelovigen, want voor hen geldt het woord dat Jezus spreekt: "…voor wijzen en verstandigen verborgen gehouden," wat Hij ons, kleine kudde, aan de kleinen, heeft geopenbaard. Zalig dus onze ogen omdat zij zien.

Wat zien wij dan? Wij zien dat er niet alleen een grote God is, maar ook een kleine. "Niemand weet wie de Zoon is tenzij de Vader; en wie de Vader is tenzij de Zoon." Jezus, de Mensenzoon hier op aarde, die ons openbaart dat menszijn zoon-zijn is. Een kleine manier van denken en voelen. Jezus vertaalde zijn hemelse Zoon-zijn in categorieën van armoede, nederigheid, klein zijn, kind zijn, ontlediging, gehoorzaamheid, geen eigen wil hebben, geen eigen woord spreken, dus precies zoals een kind. Het is voor wijzen en verstandigen verborgen gehouden en aan de kleinen, die zijn als kleinen, als kinderen, geopenbaard.
Dat wordt ons steeds opnieuw geopenbaard wanneer wij eucharistie vieren. Dán zien we, en we moeten daarin ook voorgaan door eerst onze eigen woorden af te leggen en te luisteren naar het Woord van God, maar ook door ons eigen leven, alles wat we hebben en wat we zijn, uit handen te geven, om zo helemaal Iets en Iemand anders te ontvangen.