Eerste lezing: Zacharias 8,20-23
Evangelie: Lucas 9,51-56
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Toen de dagen van zijn verheffing
hun vervulling tegemoet gingen,
aanvaardde Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem
en zond boden voor Zich uit.
Dezen kwamen op hun tocht in een Samaritaans dorp
om er zijn verblijf voor te bereiden.
Maar de Samaritanen ontvingen Hem niet,
omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was.
Toen de leerlingen Jakobus en Johannes dit gewaar werden,
vroegen ze:
Heer, wilt Gij, dat wij vuur van de hemel afroepen
om hen te verdelgen?
Maar Hij keerde Zich om en wees hen op strenge toon terecht.
Daarop vertrokken zij naar een ander dorp.
Homilie
Vele volken, machtige naties, ieder met hun eigen goden en godsdiensten, zullen eenmaal naar Jeruzalem komen om daar de enige Heer, de Heer van de hemelse machten, te zoeken en zijn genade af te smeken. Volkeren en inwoners van steden, maar ook nog eens afzonderlijke personen. Het is een volksbeweging, maar ook een beweging vanuit het hart van ieder afzonderlijk, het is ook persoonlijk, het is niet alleen maar een massabeweging. "Dan zullen mannen, individuele mannen, afkomstig uit volken van allerlei talen één Joodse man bij de slip van zijn kleed vastgrijpen en tot hem zeggen: Met u willen wij meegaan, want we hebben gehoord dat God met u is."
Israël heeft niet alleen een leer over God, de rechte leer, maar die leer, die theologie over God is voortgekomen uit een ervaring van God. God zelf heeft Zich aan dat volk meegedeeld. Je moet Hem dus niet alleen in de hemel zoeken, of in de boeken, of in de natuur, in de menselijke verhoudingen, maar je moet Hem zoeken in een bepaald volk. In dat ene volk heeft God de mensheid bezocht, daar heeft Hij Zich willen openbaren en heeft Hij Zich willen meedelen. En niet alleen voor dat ene volk, maar voor alle volken.
Het is dus niet zo dat er allerlei mogelijke wegen naar God toe zijn: Christus is een weg naar God, en Boeddha is een weg naar God, en al die andere volken hebben wel een of ander persoon die een weg is naar God. Neen, het zijn wel eventuele mogelijkheden, mogelijke wegen naar God toe, maar daar gaat het in de godsdienst nu net niet om. Het gaat in de godsdienst niet over een weg van de mensen naar God, het gaat over een weg van God naar de mensen, én het gaat erom dat Hij dat zo langs dat ene volk heeft beschikt. Dat ene volk dat zich op een gegeven ogenblik heeft opgelost in een bovenetnische eenheid, een supernationaal volk en dat noemen wij 'de kerk.' Maar het blijft waar, je moet langs de kerk, langs dat volk, langs die gemeenschap, langs die organisatie, langs dat instituut naar God. Dáár zul je God vinden. Daar zal God jóu vinden.
Dat geeft een heel ander karakter aan de vieringen en aan de beleving van onze godsdienst, op die kleine plek, waar dat toevallig plaats vindt. God is niet alleen een God van dit huis, van dit privé-gebeuren, een privé-God, ergens in een klein hoekje van de wereld, een wereld die gewoon zijn gang gaat en zich niets gelegen laat liggen aan wat hier gebeurt. Maar het is een gebeuren is dat eens het leven van heel de wereld zal veranderen. Alle mensen, alle steden, alle volkeren, alle individuele, afzonderlijke personen zullen zich in heel hun doen en laten door deze God laten beheersen. De plaatselijke kerk is ook de universele kerk en de universele kerk is een teken van heel de mensheid die de ware God zal aanbidden. Als je dát weet, wordt het voor je eigen inzet en je eigen omgang met God veel gemakkelijker. Want hoe groter de uitbreiding, hoe dieper de intensiteit. En hoe dieper de intensiteit, hoe groter de uitbreiding. Met iets waar geen kracht in zit, geen liefde, kun je niet ver komen, dat kun je niet lang volhouden, dat komt niet verder dan de plek waar je zelf leeft. Maar Jezus is zo diep met zijn geest in het mensenhart doorgedrongen, heeft zijn brandende liefde daarin uitgestort, dat dat voldoende is om de hele wereld in brand te steken. "Brandde ons hart niet in ons, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?" (Lc 24,32). Dat is waar geworden in onze kerk. Zij is niet meer gebonden aan één natie, aan één volk, aan het Joodse volk, maar zij is vlees en bloed geworden in álle culturen en álle naties, álle volken, álle steden, álle afzonderlijke personen. In beginsel een teken, er ontbreekt nog een heleboel aan, maar de tekenwerkelijkheid is er al.
Dat is dan ook de kracht van het kloosterleven. De bezieling, de verhouding met God, raakt niet alleen ieders persoonlijke leven, maar bepaalt heel de organisatie van het publieke leven, zoals dat ook in het Joodse volk het geval was. Zij hadden godsdienstige wetten en die hadden maatschappelijke gelding. Als je een godsdienstige wet overtrad, de wet van de sabbat bijvoorbeeld, werd je door de publieke overheid gestraft. Zo is het in Europa een tijd lang zo geweest, dat diefstal van een kostbaar voorwerp uit een villa van een of ander rijk iemand, niet zo zwaar werd gestraft als het stelen van een kostbaar voorwerp uit een kerk. Dat was behalve diefstal ook heiligschennis en dat werd dan ook als heiligschennis gestraft.
Maar in onze wereld lijkt het wel of godsdienst een privé-zaak geworden is, iets van ieder persoonlijk, dat is dan ook de zwakte van onze tijd. De geest van het christendom is weggedrongen uit de maatschappelijke organen en instituties. Het geloof doordesemt niet meer heel het maatschappelijke leven, en daardoor wordt het maatschappelijk leven bezield door andere krachten, boze geesten, de wereldse geest, die er ook in onze wereld zijn. Zo ontstaat er een strijd tussen kerk en wereld, die twee staan op gespannen voet met elkaar, en eigenlijk moet dat ook, want de geest van de kerk heeft de pretentie om de geest van de wereld te worden. Heel de wereld moet door de geest van de kerk worden geïnspireerd. En dat is, zo zien we in het evangelie van vandaag, een geest van barmhartigheid en niet een geest van uitsluiting.
Zo'n geest van uitsluiting bezielde de Samaritanen: gaan jullie naar Jeruzalem? Dan ontvangen wij jullie niet! De leerlingen Jakobus en Johannes willen hen met gelijke munt terugbetalen. Willen jullie ons niet ontvangen? Dan zul je eens wat beleven! Elia heeft toch ook vuur uit de hemel afgeroepen, en niet alleen over het offervlees maar ook over die Baälpriesters. "Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen om hen te verdelgen." Neen, zo moet het niet, dat is niet de goede Geest:"Hij keerde Zich om en wees hen op strenge toon terecht."
Jezus is streng tegen de strengen. Hij is onverdraagzaam jegens onverdraagzamen. Zo'n geest van excommunicatie mag er onder zijn volgelingen niet heersen, Hij excommuniceert volgelingen die zo doen, dan behandelt Hij ze als een duivel. Op strenge toon, zoals Hij ook duivels uitdrijft, wijst Hij hen terecht over hun geest van onverdraagzaamheid. Het is precies hetzelfde woord, dezelfde gesteltenis. Jezus verdraagt, dat anderen Hem niet verdragen. In plaats van een uitslaande brand die anderen vernietigt, wordt het bij Hem een inwendig vuur, een vuur dat naar binnen slaat, het vuur van de heilige Geest. Die zal het uiteindelijk winnen. Niet door te verbranden, te vernietigen en te verdelgen, maar door te verdragen.