Donderdag in de zesentwintigste
     week van het oneven jaar
Eerste lezing: Nehemia 8,1-4a.5-6.7b-12  
Evangelie: Lucas 10,1-12  

Inleiding

Zoals de eerste vrijdag van de maand is toegewijd aan het heilig Hart van Jezus, zo is de eerste donderdag van de maand in deze gemeenschap toegewijd aan het herstel van de beledigingen het allerheiligst Sacrament aangedaan. Iets goed maken door mensen die zelf niet goed zijn, dat gaat natuurlijk niet. Ze kunnen proberen goed te maken wat ze zelf verkeerd hebben gedaan, de beledigingen die ze het heilig Sacrament hebben aangedaan, maar eigenlijk kunnen ze dat ook niet. Dat is maar op één manier mogelijk, dat is door ons te verenigen met het eerherstel van Jezus. Jezus is de grote Eerhersteller. Wij verenigen ons met Hem en zo kunnen we dat niet alleen doen voor onszelf maar ook nog voor anderen. Dan staan wij in de plaats van anderen. Belijden wij dan eerst onze schuld, onze onverschilligheid, lauwheid, koelheid, ten aanzien van het heilig Sacrament, om deze heilige geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Lucas

In die tijd wees de Heer tweeënzeventig anderen aan
en zond hen twee aan twee voor Zich uit
naar alle steden en plaatsen
waarheen Hij zelf van plan was te gaan.
Hij sprak tot hen:
“De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig.
Vraag daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten.
Ga dan,
maar zie, Ik zend u als lammeren tussen de wolven.
Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel
en groet niemand onderweg.
Laat in welk huis u ook binnengaat uw eerste woord zijn:
Vrede aan dit huis.
Woont daar een vredelievend mens
dan zal uw vrede op hem rusten;
zo niet, dan zal hij op u terugkeren.
Blijft in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden,
want de arbeider is zijn loon waard.
Gaat niet van het ene huis naar het andere.
In elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt,
eet wat u wordt voorgezet, geneest de zieken die er zijn
en zegt tot hen: Het Rijk Gods is u nabij.
In elke stad waar ge binnengaat en niet ontvangen wordt,
trekt daar door de straten en zegt:
Zelfs het stof uit uw stad dat aan onze voeten kleeft,
schudden wij tegen u af.
Maar weet dit wel: het Rijk Gods is nabij.
Ik zeg u: Op die dag zal het voor de mensen van Sodom
draaglijker zijn dan voor die stad.”

Homilie


Nehemia is een politicus die met verbazingwekkende ener-gie het volk een nieuw zelfrespect, een nieuwe identiteit, een nieuw zelfgevoel heeft gegeven. De tempelbouw had plaats-gevonden, en ook huizenbouw, maar nu hoorde er nog een ziel bij. Bij de Sinaï was het volk destijds samengeroepen door het woord van God. Het volk werd een volk door de afkondiging van de Tien Geboden en door zijn instemming daarmee. Maar nu, na de ballingschap, was het uur gekomen voor een nieuw begin. De wet wordt voorgelezen, en met de vernieuwing van het Sinaï-verbond wordt de tweede tempelgemeente gesticht. Politiek gezien was het volk geen volk meer, zoals het politiek gezien ook nog geen volk was bij de afkondiging van het Sinaï-verbond. Het was een rest-volk. Maar de basis van haar bestaan hoefde het volk niet meer te zoeken in een land, in politieke macht, zelfs niet in een culturele eenheid, maar in de wet. En dat was tegelijk het gevaar voor dit volk: de wet als enige basis. De wet werd gegeven uit liefde, die liefde was ook in te voelen en daarom kon de wet in liefde worden volbracht en vervuld. De wet zelf, zoiets als de regel, doet allereerst een appèl op de buitenkant: 'Gij zult niet doden', maar de dodelijke gedachte valt níet onder de wet. Terwijl je dus de wet vervult aan de buitenkant, bijvoorbeeld door niet te doden, kunnen dodelijke gedachten in je eigen hart toch voortleven. Gedachten en gevoelens blijven in het hart verborgen. Die vallen niet onder de wet.

Na de slotfase van het Oude Verbond, in de eerste lezing, zien we hoe in het Nieuwe Verbond de oogsttijd aanbreekt, de vredestijd. "De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten.” Het doet denken aan psalm 126: “Zij die zaaien onder tranen, oogsten met vreugdezangen." De tijd van de oogst is daar. De tijd van de rijping. En dat begon in het Joodse volk.

Nu gaat de geschiedenis zijn laatste fase in, maar daartoe heeft men werkers nodig om te oogsten. En daarvoor moet gebeden worden: "Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten." Niet alle mensen, niet alle gelovigen, kunnen apostolisch werk doen, maar wie kan er niet bidden? Roepingen worden afgebeden. Dat is onze eerste plicht, en die plicht rust op ons allemaal. Niet alleen op degenen die deel uitmaken van deze gemeenschap, niet alleen op degene die in deze gemeenschap aan de beurt is om haar dag van gebed en offer op te dragen voor de intenties van de bisschop, namelijk: om roepingen te bidden. Ieder heeft in de Kerk zijn verantwoordelijkheid voor de oogst, want de eerste missiereis werd ondernomen door de twaalf apostelen, die de twaalf stammen van Israël verbeeldden. De eerste missiereis werd dus ondernomen door de twaalf ten behoeve van het Joodse volk, het ene uitverkoren volk, binnen de Joodse context. Aan de uitzending van de zeventig of tweeënzeventig leerlingen ligt de voorstelling ten grondslag dat er zeventig niet-Joodse volkeren zijn. Jezus zal Zich op weg begeven naar Jeruzalem. Hij weet Zich daarheen op weg als de Godsknecht, niet om te verderven, maar om verdorven te worden, verslonden te worden door het vuur van de heilige Geest. En die Godsknecht is er ten behoeve van álle volken. Zoals de heilige Geest neerdaalde over de twaalf en over de broeders op de eerste plaats, ten behoeve van álle volken, van álle mensen.

Wij die geloven zijn allemaal de zichtbare representanten van het nieuwe Godsvolk, dat over alle grenzen heen de universaliteit van het heil van God zichtbaar maakt. Dat moet dan ook doordringen in onze woorden, in de verkondiging, maar meer nog in onze daden, in ons optreden. Niets is belangrijk, niets geeft houvast dan alleen God en zijn Rijk. Zo was dat ook voor Jezus, van wie wij nu de zelfgave gaan vieren. Er was voor Hem niets belangrijker dan zijn eigen zelfgave.