Vrijdag in de zesentwintigste week
          van het oneven jaar
Eerste lezing: Baruch 1,15-22
Evangelie: Lucas 10,13-16


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus:
“Wee u, Chórazin, wee u, Bethsaïda!
Tyrus en Sidon zouden reeds lang, neerzittend in zak en as,
zich bekeerd hebben,
indien bij hen de wonderen waren gebeurd
die bij u hebben plaats gevonden.
Ja, het lot van Tyrus en Sidon
zal bij het oordeel beter te dragen zijn dan dat van u.
En gij, Kafarnaüm,
zult ge soms tot de hemel toe verheven worden?
Tot in de onderwereld zult ge neerzinken.
Wie naar u luistert, luistert naar Mij;
en wie u verstoot, verstoot Mij.
Wie Mij verstoot,
verstoot Hem die Mij gezonden heeft.”

Homilie  

"Wee u, Chórazin, wee u, Betsaïda!"
Waarom dat wee-geroep over die steden? Wat hebben ze misdaan? Ze hebben niet geluisterd naar de leerlingen van Jezus, want, zo heette het aan het eind van het stukje evangelie dat u werd voorgelezen: "Wie naar u (mijn leerlingen) luistert, luistert naar Mij. En wie u (mijn leerlingen) verstoot, verstoot Mij." Nu sta ik op de plaats van de leerlingen. Wie naar mij luistert, luistert naar Jezus. En wie niet naar mij luistert, maar mijn woorden verstoot, verstoot Jezus. Zo'n vaart zal het hier niet lopen. Maar zo'n vaart loopt het wél als u naar het evangelie luistert, als u zich openstelt voor het Woord van God en dat niet alleen met uw oren opneemt, maar ook in uw hart. Want dan luistert u naar het Woord van Jezus zelf. Dan neemt u Jezus zelf op in zijn woord, als een sacrament. Dan doet u een Jezuservaring op, een Godservaring. Een ervaring van vrede, van Godsvrede. Niet zoals de wereld u die geeft, maar een vrede die bestand is tegen alle vormen van onvrede.

Als je niet naar Jezus luistert en Hem verstoot, val je in het ongeluk. Een nog groter ongeluk dan dat van Tyrus en Sidon, rijke handelssteden, die van grote hoogte zijn neergevallen en volkomen werden verwoest, met de grond gelijk gemaakt. Zo'n groot ongeluk staat er tegenover zo'n groot geluk als je wel naar Jezus luistert. Een zaligheid waarbij alle zaligheid die de wereld geven kan, in het niet verzinkt. Daarom hoort die dreigende taal wel degelijk thuis in het evangelie, in de Blijde Boodschap. De Duitsers zeggen dat zo mooi: 'Die Frohbotschaft darf keine Drohbotschaft sein.' 'De Blijde Boodschap mag geen dreigboodschap zijn.' Maar de dreiging maakt nu juist een wezenlijk deel uit, de toevoeging van de dreiging verhoogt zelfs de blijheid van de Blijde Boodschap.

Door te laten zien wat de verharding tegenover Jezus teweegbrengt, hoopt Jezus de verharde harten tot bekering te brengen. Let nu op waar het op kan uitlopen! Het is nu nog allemaal vrede, rust. Voor je zie je de geduldige en barmhartige Heer, die goed is voor de zondaren als ze zich bekeren. Maar zo zal het niet blijven. Die dreigende taal is noodzakelijk om de mensen niet het slachtoffer te laten worden van Jezus' prediking van de Blijde Boodschap. God is barmhartig. Dát is de Blijde Boodschap. Hij vergeeft de zonden. Er is geen zonde zo groot of Hij zal hem vergeven. Maar als de mensen die barmhartigheid van God verkeerd gaan uitleggen, kunnen ze door Jezus' boodschap van barmhartigheid in slaap gewiegd worden. Ze denken: 'zo'n vaart loopt het niet, we kunnen zonden begaan', en: 'of je Jezus nu aanhangt of niet, het blijft toch hetzelfde, het heeft geen consequenties. Dat zie je toch: of je nu naar de Kerk gaat en bidt of niet, of je eerlijk bent of dat je een huichelaar bent, zoals de Farizeeën en de schriftgeleerden, of niet, dat maakt toch geen verschil!' Maar Jezus zegt daarvan: van buiten, aan de buitenkant, lijkt het hetzelfde, maar van binnen is het een groot verschil. Van binnen is er een verschil als tussen hemel en aarde. Aan de buitenkant mag er dan geen verschil zijn, maar dat zal zo niet blijven: het verschil dat er nu alleen aan de binnenkant is, zal dan ook naar buiten doorbreken.

Stel je nu eens voor dat Jezus die dreigementen zou hebben weggelaten, dan zouden de mensen pas bij het laatste oordeel geconfronteerd worden met de consequenties van hun onbekeerbaarheid. En dan zouden ze kunnen zeggen: waarom hebt U ons niet gewaarschuwd? Wij konden dat toen niet zien, U had ons moeten zeggen waar het op uitloopt, als we ons niet beteren. Dat doe je toch ook als je een kind opvoedt. Dan zeg je ook: als je zo door blijft gaan, loopt het slecht met je af. Je groeit op voor galg en rad.

De kinderen van sint Benedictus worden ook zo door hun meester opgevoed: 'De eerste trap van nederigheid bestaat hierin dat men de vreze Gods altijd voor ogen houdt en zo steeds op zijn hoede is voor de vergetelheid. Men moet steeds denken aan alles wat God bevolen heeft en voortdurend in zijn hart overwegen hoe het hellevuur, omwille van de zonden, hen doet branden die God verachten. En hoe anderzijds het eeuwige leven is weggelegd voor hen die God vrezen. Te allen tijde wachte de mens zich voor zonden en misstappen, hetzij in gedachten, hetzij met woorden, in handel en wandel, of door het volgen van eigen wil en ook door de begeerte van het vlees. Want de mens moet overtuigd zijn dat God hem altijd vanuit de hemel gadeslaat en dat zijn doen en laten overal door Gods oog gezien wordt en onophoudelijk door de engelen wordt gemeld.'

'Dat wij onze eigen wil niet mogen doen, leert de Schrift ons: 'Keer u af van uw eigen wil.' (Regel van Benedictus in het vervolg van de eerste trap van nederigheid. Hoofdstuk 7) En in dezelfde zin: 'Vragen wij God in het gebed des Heren dat zijn wil in ons moge geschieden. Terecht leert men ons dan ook niet onze eigen wil te doen, als wij ons willen houden aan wat de heilige Schrift ons zegt.' Daar is het weer: daar loopt het op uit. 'Er zijn wegen die de mens recht toeschijnen, maar die uiteindelijk in het diepst van de hel uitmonden. En tevens kunnen we met schrik bedenken wat er gezegd wordt over degenen die nalatig zijn: ze zijn bedorven en afstotelijk geworden door de opwellingen van hun eigen wil.'

We moeten waakzaam zijn, niet in vergetelheid geraken, we moeten wakker geschud worden, we moeten attent gemaakt worden, omdat wij mensen zijn van het ogenblik. En wij moeten het perspectief voor ogen zien dat ons elke keer opnieuw moet worden voorgehouden door het evangelie en door de regel. Wij hebben ons nu laten onderdompelen in het woord. Laten we ons dan ook, gereinigd door dat woord, onderdompelen in zijn zelfgave.