Eerste lezing: Sirach 3,2-6.12-14
Tweede lezing: Kolossenzen 3,12-21
Evangelie: Lucas 2, 41-52
Inleiding
Vandaag vieren we de eerste zondag na Kerstmis, zondag onder het octaaf van Kerstmis, feest van de heilige Familie. Tevens is dit het beschermfeest en titelfeest van deze communiteit. We vieren dat allemaal tegelijk in één eucharistie. Jezus, de Zoon van de levende God, heeft onder de mensen willen wonen, bij Jozef en Maria. Daarom heten zij: het heilig Huisgezin. Wat een vernedering, wat een afdaling! Hij, die hemel en aarde gemaakt heeft, in wie alles geschapen is, heeft willen leven in onderdanigheid aan mensen: "En Hij was hun onderdanig."
Dit feest heeft voor deze communiteit nog een extra dimensie: Jezus, de Zoon van de levende God, heeft er voor gekozen op een bijzondere manier te willen wonen bij de zusters van de kloosters van de Altijddurende Aanbidding. Daarom is dit feest hun beschermfeest. En omdat de zusters déze priorij de naam Nazareth hebben gegeven, is dit feest ook nog eens hun titelfeest.
De Zoon van God is onder ons gekomen om ons te leren de wil van God, de Vader boven onszelf, boven onze eigen wil, te stellen. "Ik ben gekomen, o God, om Uw wil te doen" (He 10,7). Zo wordt Hij hier tegenwoordig gesteld, uitgesteld, en zo wordt Hij hier aanbeden. Dat was dan ook de inzet van ons heilig doopsel.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus, volgens Lucas
Ieder jaar reisden de ouders van Jezus
bij gelegenheid van het Paasfeest naar Jeruzalem.
En overeenkomstig het gebruik bij dit feest
gingen zij opnieuw daarheen
toen Hij twaalf jaar geworden was.
Maar na afloop van die dagen keerden zij naar huis terug.
Het kind Jezus bleef echter in Jeruzalem achter,
zonder dat zijn ouders het wisten.
In de mening dat Hij Zich bij de karavaan bevond,
gingen zij een dagreis ver
en zochten Hem toen onder familieleden en bekenden.
Omdat zij Hem niet vonden,
keerden zij al zoekende naar Jeruzalem terug.
Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel,
waar Hij te midden van de leraren zat,
naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde.
Allen die Hem hoorden,
waren verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden.
Toen zijn ouders Hem daar opmerkten
stonden zij verslagen.
Zijn moeder zei tot Hem:
Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan?
Denk toch eens met wat een pijn
uw vader en ik naar U hebben gezocht.
Maar Hij antwoordde:
Wat hebt ge toch naar Mij gezocht?
Wist ge dan niet
dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?
Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde.
Hij ging met hen mee naar Nazaret
en was aan hen onderdanig.
Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.
En met de jaren
nam Jezus toe in wijsheid
en welgevalligheid bij God en de mensen.
Homilie
Het kind Jezus bleef echter in Jeruzalem achter, zonder dat zijn ouders het wisten." Tegenwoordig zouden wij zeggen: het kind is van huis weggelopen, want dat gebeurt nogal eens vandaag de dag. Naar de reden daarvan kunnen wij slechts gissen. Het zou een generatieconflict kunnen zijn. Daar ontkomt geen huisgezin aan. Op een gegeven ogenblik breekt het moment aan dat kinderen niet alleen uit de schoot, maar ook onder de hand weg groeien, vader en moeder boven het hoofd groeien.
Is Jezus hier een voorloper van de opstandige jeugd? Geeft Hij hun een slecht voorbeeld? Je kunt hier wel spreken van een generatieconflict, maar niet tussen tijdelijke generaties. In dit conflict breekt een ander generatieconflict door: een conflict tussen de aardse generatie en de hemelse, tussen Jezus, het kind van Jozef en Maria, en Jezus, het Kind van de Vader in de hemel. Want waar bleef dat ongehoorzame Kind, zonder dat zijn ouders het wisten? In de tempel! Waar vonden zij Hem na drie dagen van vergeefs zoeken? In de tempel! "Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel. En wat was het antwoord dat Hij gaf op de ontstelde vraag van moeder Maria: Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan? Hij antwoordde: Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?" In de tempel!
Voor zijn gevoel was Jezus helemaal niet ongehoorzaam. Zo staat het er ook: na afloop "ging Hij met hen mee naar Nazareth en was aan hen onderdanig." De tempelscène was niet een intermezzo van ongehoorzaamheid bij een volgehouden leven van gehoorzaamheid, maar het was een act van gehoorzaamheid aan de hemelse Vader. Dat was voor Jezus zó vanzelfsprekend, dat Hij gewoon niet kon begrijpen, dat zijn ouders niet op het idee gekomen waren dat Hij bij zijn Vader moest zijn, dat ze niet in de eerste plaats daar naar Hem waren gaan zoeken, dat ze Hem eerst bij familieleden en bekenden gingen zoeken. Jezus gehoorzaamde, toen hij in de tempel achter bleef, aan een hoger bevel. "Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?"
Jezus wordt ons hier voorgesteld als wijsheidsleraar. "Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel, waar Hij te midden van de leraren zat, naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde. En allen die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden. Het verhaal wordt dan ook besloten met de woorden: Met de jaren nam Jezus toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen. Maar het is een wijsheid die in onze wereld van scheefgetrokken verhoudingen aandoet als dwaasheid. Het is die wijsheid, die hogere wijsheid, die Maria zich probeerde eigen te maken, nadat zij het antwoord van haar Zoon had gehoord: Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?
Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart."
Maria gaat dus de weg die Jezus haar wijst, een weg waarvan zij het doel niet kent, want dan zou zij het wel begrepen hebben. Maar met haar geloof, met het intuïtief aanvoelen van haar hart, weet zij dat die weg tot een goed einde zal leiden, naar een tehuis, een plaats waar Jezus Zich zo thuis voelde. Hij zag er toch zo gelukkig uit toen ze Hem in de tempel aantroffen! Hij was echt thuis bij zijn Vader. Met díe voor haar vreemde autoriteit probeert Maria zich vertrouwd te maken. Ze probeert Jezus en zijn weg te zien in het licht van die hemelse Vader, bij wie Jezus Zich zo thuis scheen te voelen.
Daarin is zij een voorbeeld voor ons allemaal als het moment komt dat, om het zo maar eens te zeggen, Jezus van ons wegloopt, wanneer de gestalte waarin wij Hem hebben gevonden, de gestalte waarin wij een teken mochten zien van Gods leiding en bescherming, verloren gaat. Of dat nu onze gezondheid is, onze goede naam, ons werk, de saamhorigheid in het gezin of in de kerkprovincie, of de integriteit van de cultuur waarin wij leven, situaties waarin wij zijn opgegroeid, die ons toevallen en waarin wij God hebben leren ontdekken en ervaren, zoals in het Sacrament. Al die dingen die op zich goed zijn, zijn op een gegeven ogenblik goed gewéést. Het wáren dragers van gebedservaringen en tekenen van Gods tegenwoordigheid, van zijn welbehagen. Maar op een gegeven ogenblik, geleidelijk aan, zijn die dingen een eigen leven gaan leiden, zijn ze de baas over ons gaan spelen: zó is het en zó moet het ook altijd blijven. Ze hebben de plaats van God ingenomen. Daarom moeten we van die dingen af. Als dat gebeurt, dan gaan we op zoek, eerst bij familieleden en bekenden, bij het bekende, en als we Hem daar niet vinden, gaan we zoeken bij het onbekende, bij die hogere wijsheid, dan gaan we op zoek naar een nieuwe harmonie met Gods wil.
"Pas na drie dagen vonden ze Hem. Het is niet toevallig dat er drie dagen staat, dat het precies drie dagen geduurd heeft. Drie is een kengetal, een soort codecijfer. Op de derde dag zal Hij verrijzen" (Mt 17,23). Na drie dagen, dat is de tijd die God beschikt, zal er een nieuwe harmonie komen, zul je opnieuw thuiskomen, zul je Hem na zijn verdwijnen opnieuw zien verschijnen. Maar je moet wel zoeken, je moet wel los van alles waarin je je gevestigd hebt, gesetteld hebt, waaraan je je hebt laten vastbinden. Je moet los, je moet op zoek, want Hij is groter, Hij is groter dan alles waarin we Hem voorlopig hebben gevonden.
Dat is ons heilig geloof. We zien Jezus in iedere eucharistie verdwijnen, zoals in de tempel. Hij verdwijnt in de gestalte van brood en wijn en wij krijgen Hem terug in de heilige communie. Dan is Hij verrezen met goddelijke kracht en vitaliteit. Zo mag Hij opnieuw de band zijn van ons samenzijn.