Donderdag in de zevenentwintigste week
             van het even jaar
            HH. Dionysius en Gezellen, martelaren
              Heilige Johannes Leonardi, priester


Eerste lezing: Galaten 3,1-5 [III 319];
Evangelie: Lucas 11,5-13 [III 320]


Inleiding      

'Groot heeft de Heer aan ons gehandeld', zongen we in het openingslied. Dat betekent altijd iets van: de mensen hebben ons kwaad gedaan, zelf konden wij ons niet meer verdedigen en toen heeft de Heer ingegrepen. Dat geldt ook voor de heilige Dionysius, wiens gedachtenis wij vandaag vieren. Hij werd onthoofd. Als je het oude kerkje van Asselt, hier vlak in de buurt van Tegelen, wilt binnengaan, moet je onder de griezelfiguur door van een bisschop die het hoofd niet op de goede plaats heeft, maar in zijn handen houdt. Dit betekent dat de dood, zelfs de gewelddadige dood, ons niets kan doen. Groot heeft de Heer aan hem en aan ons gehandeld. De martelaar is een bloedgetuige. Martelaar betekent: getuige. Hij getuigt met zijn bloed, met zijn leven, met zijn levensinzet, met zijn 'ik'.
Het kostbaarste wat we allemaal hebben, wat we allemaal vasthouden, cultiveren, bewieroken, is onze eigen eer. Als we dát nu eens loslieten. Moge dat tevens de inzet zijn van deze viering van dé martelaar, dé bloedgetuige: Jezus.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Stel dat iemand van u een vriend heeft.
Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt:
Vriend, leen mij drie broden,
want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen
en ik heb niets om hem voor te zetten.
Zou die ander van binnenuit dan antwoorden:
Val me niet lastig.
De deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed;
ik kan niet opstaan om het je te geven.
Ik zeg u,
als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is,
zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft
om zijn onbescheiden aandringen.
Tot u zeg Ik hetzelfde:
Vraagt en u zal gegeven worden;
zoekt en gij zult vinden;
klopt en er zal worden opengedaan.
Want al wie vraagt verkrijgt;
wie zoekt vindt;
en voor wie klopt doet men open.
Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven,
als deze hem om brood vraagt?
Of als hij om vis vraagt,
zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven?
Of als hij om een ei vraagt,
zal hij hem toch geen schorpioen geven?
Als gij dus - ofschoon ge slecht zijt -
goede gaven aan uw kinderen weet te geven,
hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel
de heilige Geest geven aan wie Hem er om vragen.”

Homilie      

“Een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten."
Ik heb niets. Dat is de situatie die model staat voor onze verhouding tot God. Ik heb niets. Wij zijn de vriend die niets heeft. God is de vriend die heeft. Hij geeft en wij krijgen. Wij hebben niets, God heeft alles en geeft ook alles wat we nodig hebben. God wordt dus een vriend genoemd, vriend, dat heeft iets van een uitverkiezing, van een persoonlijke betrokkenheid, iets van hart tot hart, iets wat je niet hebt met andere mensen die je toch ook heel nabij kunnen zijn, broers, zussen, vader, moeder, collega's, kennissen. In de relatie met hen zit iets van de natuur, van de groep, je bent erin opgenomen, je maakt er deel van uit en die ander ook. Het gevolg is dat je in het beminnen van die anderen eigenlijk ook jezelf bemint. Dat is niet zo helemaal vrij, niet zo helemaal van binnenuit, dat komt meer van buitenaf. Maar de vriendschap komt uit het hart. Er komen spontane gevoelens voor een ander die je niet hebt voor iedereen. De vader van het geloof, de eerste in het verbond tussen God en de mensen, tussen God en zijn volk, heette al meteen: 'vriend van God'. "Maar gij, Israël, mijn dienstknecht Jakob, die Ik uitverkoren heb, nazaat van Abraham, mijn vriend" (Jes 41,8). 'Weet je wel dat God een vriend heeft', zegt psalm vier veelbelovend, 'en dat Hij die trouw blijft en altijd verhoort?'

Als je niets hebt, en dat komt in de wereld dikwijls voor, de wereld bestaat uit hebbers en niet-hebbers, dan ben je er slecht aan toe, dan ben je nergens, dan ben je aangewezen op een rijke die een aalmoes geeft, op ontwikkelingshulp, dan ben je afhankelijk van landen of volkeren die over de brug komen, je bent dus aangewezen op het toeval, op wat je toevalt.

Hoe is het met onze verhouding ten opzichte van God? God heeft wel alles, maar wat hebben wij daaraan? Wij hebben uit onszelf niets, maar één ding hebben wij wel: wij hebben een Vriend, een Vriend die niet alleen alles heeft, maar die ook bereid is alles te geven, zoals die vriend in het evangelie die in de nacht zijn vriend bij zich kreeg en niets had om hem voor te zetten, maar hij … hij had een vriend op wie hij altijd een beroep kon doen, desnoods midden in de nacht. Daarom zat hij er niet zo mee dat hij niets had. Daarom hoeven wij er niet zo mee te zitten dat we niets hebben. We hebben een Vriend en Hij heeft ons. Hij heeft genegenheid voor mij, een sterke betrokkenheid op mij persoonlijk. Bovendien heeft Hij dat ook nog op een andere manier, want die Vriend is ook onze Vader. Dat Hij onze Vader is, betekent eigenlijk dat we niet alleen niets hebben, maar dat wij ook niets zijn. Vader zijn betekent: iemand in het bestaan roepen. En kind zijn betekent dat je tot in je bestaan, tot in je zijn, tot in je wezen, afhankelijk bent van Degene die je in het bestaan heeft geroepen.

Dat is de verhouding tussen God en de mensen. Ze zijn tot in hun bestaan van Hem afhankelijk. Dat betekent dat de Vader altijd de middelen van bestaan moet geven, dat Hij dat vanuit zijn wezen verplicht is, niet alleen vanuit een bepaald gevoel van vriendschap, maar vanuit zijn vader-zijn. Dat is nu bij God een combinatie van voortbrengen, van voortplanting en van liefde, van vriendschapsliefde. Ieder kind dat Hij heeft voortgebracht, heeft Hij in liefde voortgebracht, in de opperste daad van liefde voor zijn Zoon, die zijn leven gaf voor zijn vrienden. Dat is het leven waaraan wij in het heilig doopsel deel krijgen. We bestaan dus niet alleen, maar we bestaan in liefde. Geheel omgeven door goddelijke liefde. Dat wordt in die laatste zin van dit evangelie tot uitdrukking gebracht: "Als gij, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer dan zal uw Vader in de hemel de heilige Geest geven …", dat is de liefde.

"Ofschoon ge slecht zijt …" Slecht? Zijn die vaders en moeders die hun kinderen goede gaven weten te geven dan slecht? Ze geven toch goede gaven aan hun kinderen? Wat is daar nu slecht aan? Nu, het slechte is niet wat ze geven, maar het motief van waaruit ze geven. Ze geven het vanuit hun natuur, ze geven het vanuit hun ik-liefde en God geeft vanuit een gij-liefde, een zelveloze liefde. Ook als Hij er helemaal niet beter van wordt, als Hij helemaal geen dankjewel krijgt, blijft Hij ermee doorgaan.

Dat is wat we in de eucharistie aanschouwelijk en daadwerkelijk, concreet, krijgen. We krijgen het brood en daarin de liefde van God, terwijl wij nog zondaars zijn, terwijl wij Hem nog de rug toekeren en niet dankbaar zijn en er nauwelijks een dankjewel af kan. Die liefde wil Hij in het menselijk geslacht binnenbrengen, te beginnen met onze deelname aan de heilige communie.