Zalige Johannes XXIII, paus
Maria op zaterdag
Eerste lezing: Galaten 3,22-29 [III 323];
Evangelie: Lucas 11,27-28 [III 324]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd, terwijl Jezus aan het spreken was,
verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep Hem toe:
Gelukkig de schoot die U gedragen heeft
en de borsten die U hebben gevoed.
Maar Hij sprak:
Veeleer gelukkig
die naar het woord van God luisteren en het onderhouden.
Homilie
Een vrouw uit het volk. "Gelukkig de schoot die U gedragen heeft. Zij zet Maria in het zonnetje. Maar Jezus schijnt dat niet goed te vinden: Veeleer gelukkig
" Je zou zeggen: die vrouw is de eerste Mariavereerster, wat kan daar nu verkeerd aan zijn? Wat heeft Jezus daar nu op tegen?
Eigenlijk is niet deze vrouw de eerste Mariavereerster, maar was Elisabet dat. Niet alleen omdat zij in de tijd eerder was dan deze vrouw, ze prees Maria gelukkig nog voordat Jezus geboren was, maar ook vanwege de inhoud van haar woorden waarbij ze verder gaat dan wat de vrouw zegt. Net als de vrouw uit de menigte zegt ze: "Gezegend zijt Gij onder de vrouwen, gezegend is de Vrucht van uw schoot, maar zij laat daar op volgen: Zalig, zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat Haar vanwege de Heer gezegd werd (Lc 1,42-45). Elisabet is de eerste Mariavereerster omdat zij Maria zalig heeft geprezen om haar geloof. Zij gebruikt daarbij bijna dezelfde woorden die ook Jezus gebruikte: Gelukkig, die naar het woord van God luisteren en het onderhouden."
Waar het om gaat bij Maria, bij de broeders van Jezus, bij ons allemaal, is niet dat iemand familie is van Jezus, dat iemand kan bogen op bloedverwantschap met Jezus, dat iemand kan zeggen dat hij tot het volk van de Joden behoort, maar dat we geloven. Daardoor kunnen wij allemaal staan op de plaats van Maria. Door te geloven kunnen wij in die grootheid delen. Geloven, dat heeft Maria evenzeer moeten doen als alle gelovigen die Haar vereren. Ja, meer nog dan anderen. Zij wordt dan ook genoemd: de Moeder van alle gelovigen, want hoe dichter God nadert, des te meer moet Hij Zich hullen in mensengedaante, des te meer moet Hij Zich aanpassen aan de menselijke natuur, aan de menselijk verschijningsvormen en des te meer blijft er dus te geloven.
Bij niemand is God dichter genaderd dan bij Maria. Hij is in Haar vlees geworden. Zij heeft Hem in haar lichaam leven gegeven. Hij heeft van haar vlees en bloed Vlees en Bloed aangenomen, zodat er geen onderscheid meer is tussen God en de mens. Het is haar zaligheid dat zij daarin vast in God geloofd heeft.
Stel dat Maria erbij aanwezig geweest was toen de vrouw dat zei, en zij het antwoord van Jezus had gehoord: "Veeleer zalig
Zij zal toen het gevoel hebben gehad, dat Jezus haar op de tweede plaats zette, weg van haar unieke positie als de moeder van Jezus, op één lijn met de andere mensen die naar het woord van God luisteren, met de mensen die om Jezus heen zaten. Zoals zij het ook gevoeld heeft, toen Jezus haar zei: Wat hebt ge toch naar Mij gezocht?" (Lc 2,49). Maar tegelijkertijd heeft zij in dat woord iets heel bekends gehoord, iets heel aantrekkelijks, want zij was nu juist met heel haar wezen op dat woord van God gericht. "Veeleer gelukkig die naar het woord van God
Ze was er zo van vervuld, dat het aan haar zou geschieden: Mij geschiede naar uw woord (Lc 1,38). Dat woord van God was zozeer haar geborgenheid, daar heeft zij zich zo in kunnen bergen, dat zij dat andere woord: Vrouw, zie daar uw Zoon" (Joh 19,26) heeft kunnen aanhoren zonder eraan te bezwijken. God is aan haar geschied, Hij heeft goddelijke uitwerkingen in haar tot stand gebracht, maar in menselijke vorm, zodat je niet meer kunt weten dat Hij het is geweest die het in haar bewerkte. Want - zo zegt de psalmist - God trekt zijn spoor door de golven en wist het daarna weer uit (Ps 77,10). Er is niets meer van te zien.
Geloven, daar komt het op neer, geloven dat God in zijn liefde zover is gegaan, dat Hij Zich ons heeft aangetrokken, dat Hij Zich over ons heeft ontfermd en dat Hij daarvan tekenen achterlaat in de bevrijding van onze noden, in de kracht van onze zwakheid, in het opveren van levenslust en levensvreugde temidden van neerslachtigheid en depressie, en dat Hij dat allemaal zo discreet doet dat je er ook overheen kunt leven. Als wij de evangelielezing hebben gehoord, zegt de priester: 'Dit is het Woord van God'. Dat u dat met uw hart nazegt, niet alleen als u naar het evangelie hebt geluisterd, maar elke keer als het evangelie, het woord van God, bij u is aangekomen. Dat dat uw blijdschap is, dat dat uw zaligheid uitmaakt. "Zalig zij die naar het woord van God luisteren en het onderhouden."