Eerste lezing: Galaten 1,13-24
Evangelie: Lucas 10,38-42
Inleiding
'Alles wat er staat geschreven, Heer, doe ons verstaan.' Doe ons de woorden verstaan die in het Oude Verbond gesproken zijn, de woorden van God. Na die woorden kwam Jezus, en Hij heeft het laatst gesproken. Al die woorden kregen een nieuwe bezieling, een nieuwe zin en ook een nieuwe kracht, de kracht van God, de heilige Geest. Zo gaat het ook in de eucharistieviering. Eerst krijgen wij de woorden van God in de woorddienst. Daarin bedient God ons met zijn woord, met zijn kracht uit de hemel, en daarna mogen wij Jezus zelf laten spreken. Niet met zijn woorden, maar met zijn handeling, met zijn zelfgave, met zijn doe-woord, met zijn krachtwoord. Hij heeft Zich laten breken, woord voor woord.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd kwam Jezus in een dorp
waar een vrouw die Marta heette Hem in haar woning ontving.
Ze had een zuster, Maria die
- gezeten aan de voeten van de Heer -
luisterde naar zijn woorden.
Marta werd in beslag genomen door de drukte van het bedienen,
maar ze kwam er een ogenblik bij staan en zei:
Heer, laat het U onverschillig
dat mijn zuster mij alleen laat bedienen?
Zeg haar dan, dat zij mij moet helpen.
De Heer gaf haar ten antwoord:
Marta, Marta,
wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen.
Slechts één ding is nodig.
Maria heeft het beste deel gekozen
en het zal haar niet ontnomen worden.
Homilie
In het evangelie van gisteren vroeg Jezus de wetgeleerde wat er in de Wet geschreven staat om het eeuwig leven te verkrijgen. Daarop antwoordde deze: "Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf" (Lc 10,27). Dat ene gebod nu, God beminnen met heel je hart, krijgt vandaag gestalte in Marta's zuster Maria. De liefde tot God mag niet lijden onder de dienst aan de mensen, en de naastenliefde mag niet lijden onder een verkeerd begrepen godsdienst. Dit krijgt gestalte in de barmhartige Samaritaan in vergelijking met de leviet en de priester, en in vergelijking met de hartstochtelijke ijver van Paulus voor de overleveringen van zijn voorgeslacht. "Gij hebt gehoord hoe ik vroeger als Jood geleefd heb, hoe ik de kerk van God fel vervolgde en haar trachtte uit te roeien, en hoe ik op het stuk van de Joodse godsdienst velen van mijn leeftijd en mijn volk overtrof voor de overleveringen van het voorgeslacht." Verkeerde ijver!
Marta, de priester en de leviet, zullen ook wel goede dingen hebben gedaan, evenals sint Paulus, maar ze lopen het gevaar van eenzijdigheid, en dat gevaar kan ieder van ons lopen. Je moet niet zo kiezen voor het barmhartige-Samaritaan-zijn dat je het godsdienstige, het allerdiepste in je, de liefde voor God, weglaat. Maar je moet er ook niet zo voor kiezen te zijn als Maria, dat je alle dienstbaarheid van je afzet. Wij zijn geen godsdienst van het een óf het ander, maar van het een én het ander.
Wie willen wij zijn? Marta of Maria? Marta is een eigentijdse figuur: helpen, dienen, klaar staan voor de ander, voor je naaste, gastvrijheid beoefenen. Zonder Jezus' reactie af te wachten, alsof ze al zeker meent te weten wat Hij zeggen zal, zegt zij Jezus voor wat Hij tot Maria moet zeggen: "Zeg haar dan dat ze mij moet helpen." Ze zegt het niet beleefd, zelfs een beetje onstuimig, zoals mensen kunnen reageren als ze in de greep zijn van een ongeordende neiging. Het is uit het leven gegrepen, uit het leven van mensen die overijverig toegeven aan activisme, overactivisme, aan heen en weer gejaagdheid.
Jezus moet haar tot zichzelf terugbrengen, want ze was gewoon zichzelf niet meer. Ze had de band, de binding met God losgelaten. Ze leefde binnenstebuiten, of buitenstebinnen en daarom zegt Hij: "Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig."
Ongeordende dienstbaarheid, dienstbaarheid zonder God, zonder te luisteren naar het woord van God, zonder het ene noodzakelijke, zonder inkeer, dat komt veel voor. Met helpen en met dienen en met doen kan men iets verdringen. Wat verdringen? Of liever gezegd: wie verdringen? De zoete Gast van je ziel! En ook de ziel van de ander, want die ander heeft ook de zoete Gast. Men verdringt God zelf, omdat men eigenlijk maar weinig voelt voor Christus. Men leeft niet van zijn woord en van zijn Geest die in dat woord aanwezig, werkzaam, krachtig is. Men wil niet echt luisteren zoals Maria deed. Mensen rechtvaardigen zich dan wel eens: 'Als je maar een goed mens bent, goed leeft, dát is het belangrijkste.' Zeker, daar gaat het om. Maar wanneer ben je een goed mens? Wat is er voor nodig om een goed mens te zijn? Veel dingen doen? Goede dingen doen? Bezig zijn? Jezus zegt: Nee, "slechts één ding is nodig." Om een goed mens te zijn, hebben wij Christus nodig, want Hij gaat schuil onder dat ene dat nodig is. We hebben zijn woord nodig, zijn gebod. In alle zorgeloosheid die Christus aan de dag legt, heeft Hij één zorg waaraan alle andere zorgen moeten worden gerelateerd, ondergeschikt gemaakt, en dat is dat wij zijn woord horen.
Jezus was te gast bij de gezusters Marta en Maria in Betanië, maar op het moment dat Hij spreekt, stelt Hij Zich op als de gastheer, want Hij zegt: "Maria heeft het beste deel gekozen." Dat is iets wat de gastheer altijd doet. Hij reikt eerst de gast de schaal met spijzen aan, en pas daarna de andere tafelgenoten. En de gastheer doet dat zó, dat de gast er niet omheen kan om het beste deel te kiezen, het grootste stuk, de fijnste spijs.
Ook u bent nu uitgekozen om bij Jezus te gast te zijn, om het beste, het fijnste van Hem te mogen ontvangen: zijn woord en zijn Lichaam.