Donderdag in de zevenentwintigste week
             van het oneven jaar
Eerste lezing: Maleachi 3,13-20a  
Evangelie: Lucas 11,5-13


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Stel dat iemand van u een vriend heeft.
Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt:
Vriend, leen mij drie broden,
want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen
en ik heb niets om hem voor te zetten.
Zou die ander van binnenuit dan antwoorden:
Val me niet lastig.
De deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed;
ik kan niet opstaan om het je te geven.
Ik zeg u,
als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is,
zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft
om zijn onbescheiden aandringen.
Tot u zeg Ik hetzelfde:
Vraagt en u zal gegeven worden;
zoekt en gij zult vinden;
klopt en er zal worden opengedaan.
Want al wie vraagt verkrijgt;
wie zoekt vindt;
en voor wie klopt doet men open.
Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven,
als deze hem om brood vraagt?
Of als hij om vis vraagt,
zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven?
Of als hij om een ei vraagt,
zal hij hem toch geen schorpioen geven?
Als gij dus - ofschoon ge slecht zijt -
goede gaven aan uw kinderen weet te geven,
hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel
de heilige Geest geven aan wie Hem er om vragen.”

Homilie    

“Een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten."
'Ik heb niets.' Dat is een situatie die model staat voor onze verhouding tot God. Ík heb niets, wíj hebben niets. Wij zijn als de vriend die niets heeft en God is de Vriend die heeft en geeft. Wij krijgen en God geeft. Hij is goedgeefs. We hebben niets en God geeft alles, alles wat we nodig hebben. Zo is de verhouding tussen God en de mensen: hebben en niet hebben. Rijk en arm. We staan tegenover God als bedelaars. En zo is het in de wereld van de mensen ook. Er zijn mensen die hebben en mensen die niet hebben. Niets hebben, dat is nog tot daar aan toe, maar niets zijn, dat is een nog grotere vorm van armoede. En dat is de verhouding tussen de Vader en zijn kinderen, zij staan tegenover elkaar als zijn en niets zijn.

Als vader sta je tegenover je kinderen als degene die is, en de kinderen die je het bestaan hebt gegeven, zijn van jou afhankelijk. Kinderen zijn tot in hun bestaan afhankelijk van hun ouders. En ze vragen, ook al doen ze dat niet altijd uitdrukkelijk met woorden. Ze beginnen al met vragen als ze nog niet eens kunnen praten, als ze nog geen wens kunnen formuleren, dan vragen ze al om eten en drinken, brood, ei, vis, kortom, de middelen om te bestaan. Zo is onze verhouding ten opzichte van God. Wij hebben niets en wij zijn niets. Maar dat is nu juist onze kracht, want we hebben een Vriend. God is onze Vriend en God is onze Vader. En Hij leeft Zich juist uit als Vader, en Hij biedt Zich aan als Vriend, door te geven wat wij niet hebben: voedsel, en door te geven wat we niet zijn: het bestaan.

Vriendschap heeft iets van uitverkiezing, dat is iets van een persoonlijke betrokkenheid. Niet omdat het moet van de natuur, maar vanuit het hart. En nu wordt er van God gezegd: Hij is onze Vader, Hij is als een Vriend. Hij heeft met ons een verbondenheid die niet alleen maar voortkomt uit de natuur, zo van het móet, maar die voortkomt uit het hart. Zoals een vriend met zijn vriend.
De vader van het geloof, Abraham, de eerste in het verbond tussen God en zijn volk heette al: 'vriend van God'. "Maar gij, Israël, mijn dienstknecht Jakob, die Ik uitverkoren heb, nazaat van Abraham, mijn vriend" (Jes 41,8). En sprak Mozes niet met God in de tent van samenkomst als met zijn vriend? (Ex 33,11) En zegt psalm 4 niet veel belovend: "weet je wel dat God een vriend heeft en dat Hij die trouw blijft en verhoort?" Persoonlijke betrokkenheid. Als je vriend ook nog je vader is, of je vader je vriend, zodat er niet alleen maar een verbondenheid is van de natuur, maar ook nog een verbondenheid in het hart, dan is dát de verhouding tussen God en de mensen. Dat wordt dan ook gezegd: "Als gij dus - ofschoon ge slecht zijt - goede gaven aan uw kinderen weet te geven,” het komt dus voort uit de natuur en niet uit het hart, “hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen."

De heilige Geest is de band van liefde tussen de Vader en de Zoon. Je wordt niet alleen opgenomen in het natuurlijke leven van God, maar ook in het leven van zijn Hart, in zijn liefde. Veel mensen zullen moeten constateren dat ze niet krijgen wat ze vragen, dat zoveel behoeften ongedekt blijven, ook behoeften waarin ze willen worden voorzien door er in vertrouwen aan God om te vragen. Maar waar God altijd in voorziet, als we Hem erom vragen, als we ons ervoor openstellen wil dat zeggen, dat is zijn vriendschap, zijn liefde.

Dit is wat we dan ook altijd in de eucharistie vieren. We krijgen bijna niets, niets om onze lichamelijke honger mee te stillen, maar het betekent álles. Zijn liefde! Het is een teken van zijn liefde, van zijn liefde tot het uiterste en dat is gewoon alles. Hij gaat boven alles. Hij gaat je te boven in zijn Zoon. Zó totaal is zijn liefde voor ons.