Heilige Dionysius en Gezellen, martelaren
Heilige Johannes Leonardi, priester
Eerste lezing: Joël 1,13-15.2,1-2
Evangelie: Lucas 11,15-26
Inleiding
'Groot heeft de Heer aan ons gehandeld', zongen we in het openingslied. Dat betekent altijd iets van: de mensen hebben ons kwaad gedaan, zelf konden wij ons niet meer verdedigen en toen heeft de Heer ingegrepen.
Dat geldt ook voor de heilige Dionysius, wiens gedachtenis wij vandaag vieren. Hij werd onthoofd. Als je het oude kerkje van Asselt, hier vlak in de buurt van Tegelen, wilt binnengaan, moet je onder de griezelfiguur door van een bisschop die het hoofd niet op de goede plaats heeft, maar in zijn handen houdt. Dit betekent dat de dood, zelfs de gewelddadige dood, ons niets kan doen. Groot heeft de Heer aan hem en aan ons gehandeld. De martelaar is een bloedgetuige. Martelaar betekent: getuige. Hij getuigt met zijn bloed, met zijn leven, met zijn levensinzet, met zijn ik.
Het kostbaarste wat we allemaal hebben, wat we allemaal vasthouden, cultiveren, bewieroken, is onze eigen eer. Als we dát nu eens loslieten. Moge dat tevens de inzet zijn van deze viering van dé martelaar, dé bloedgetuige: Jezus.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Toen Jezus eens een duivel had uitgedreven zeiden enkelen:
Door Beëlzebub, de vorst der duivels, drijft Hij de duivels uit.
Anderen - om Hem op de proef te stellen -
verlangden van Hem een teken uit de hemel.
Maar Hij kende hun gedachten en sprak tot hen:
Elk rijk dat innerlijk verdeeld is vervalt tot een woestenij;
het ene huis valt op het andere.
Als nu ook de satan met zichzelf in strijd is,
hoe kan zijn rijk dan standhouden?
Ge zegt immers dat Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf.
Als Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf,
door wie drijven uw zonen ze dan uit?
Daarom zullen zij uw rechters zijn.
Maar als Ik door de vinger Gods de duivels uitdrijf,
dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen.
Wanneer een sterke, welbewapend, zijn huis en hof bewaakt,
is zijn bezit veilig.
Komt er echter iemand die sterker is dan hij en die hem overwint,
dan rooft deze zijn volle uitrusting,
waarop hij zijn vertrouwen stelde, en verdeelt wat hij bezit als buit.
Wie niet met Mij is, is tegen Mij,
en wie niet met Mij bijeenbrengt, die verstrooit.
Wanneer de onreine geest een mens verlaat
gaat hij rondzwerven in dorre streken op zoek naar rust.
Vindt hij die niet, dan zegt hij:
Ik keer terug naar mijn huis, dat ik verlaten heb.
Bij zijn komst vind hij het schoongemaakt en op orde.
Dan gaat hij zeven andere geesten erbij halen,
nog slechter dan hijzelf;
ze trekken erin en gaan daar wonen.
Het laatste is voor die mens nog erger dan het eerste.
Homilie
Het leven wordt hier voorgesteld als een strijd, een strijd tussen goed en kwaad, of beter gezegd: tussen goeden en kwaden, tussen de goede Geest van God en de boze geest van de satan. En de inzet waarom het gaat in die strijd is de mens. Wij zijn zelf het toneel van strijd, wij zijn het slachtveld. In ons hart wordt die strijd gestreden onder het gewone leventje van alledag. Terwijl de mens doet wat hem gevraagd wordt, dingen die hij zelf ter hand neemt, speelt zich in het verborgene van zijn hart een strijd af. Twee onverbiddelijk elkaar op leven en dood bevechtende tegenstanders, erop of eronder.
Uw vader Benedictus zegt het zo: 'Wat wil hart en lichaam dan uitrusten voor de strijd, dat wil zeggen: voor de heilige gehoorzaamheid aan Gods geboden. We willen daar een oefenschool, een trainingskamp gaan stichten voor de dienst van de Heer.' In het rustige kloosterleven, in de stille gangen en bij de - als het goed is - naar binnen gekeerde monniken en monialen speelt zich een hevige strijd af, een strijd waarbij je geen moment je aandacht kunt laten verslappen, want elke verslapping van je aandacht wordt genadeloos afgestraft.
Waar gaat die strijd dan over in het mensenhart? Die strijd gaat er over, dat je je de kunst eigen maakt om te verliezen. Het gaat erom niet te willen winnen, niet te willen veroveren, niet de eerste willen zijn, het laatste woord willen hebben, de eer willen genieten van de overwinnaar, maar het gaat om de kunst van het verliezen, de kunst van je te laten overwinnen. "Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het redden" (Mc 8,35). Want daarin toont Jezus Zich de sterkere, dat Hij de zwakste van allen heeft kunnen zijn. Hij is de sterkste in de kunst van het verliezen, Hij is volleerd in die kunst. Hij had ook het meeste om te verliezen, want Hij bezat goddelijke majesteit en die heeft Hij bij het neerdalen op aarde er aan gegeven. Hij heeft Zich ervan ontledigd, Hij is aan de mensen gelijk geworden. Hij wilde Zich niet voor laten staan op de eer van God, maar ook de menselijke eer schuwde Hij. Hij wilde alleen maar dienen, dienstknecht zijn, en aan God gehoorzamen, gehoorzaam zijn tot het uiterste, tot de dood aan het kruis, aan het hout van de schande. "Wie zijn leven verliest, zal het redden, en daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is" (Fil 2,9).
Wat een ontspanning bij de soldaten in deze strijd. Wat geeft het niet een ontspanning in de mens als hij niet hóeft te winnen. Dat je alles inzet om te winnen en het dan niet te hoeven winnen, want het zijn niet jouw krachten waardoor je het wint, maar de krachten van de Sterkere. Aan Hem ontleen je die merkwaardige kracht van het kunnen verliezen. Met zijn kracht te kunnen verliezen, dát geeft vrede in het hart, vrede bij onvrede, vrede in de strijd.