Feest van de HH. Onschuldige
     Kinderen, martelaren
Eerste lezing: 1 Johannes 1,5-2,2
Evangelie: Matteüs 2,13-18


Inleiding      

Op deze vierde dag in het kerstoctaaf vieren we het feest van de heilige Onschuldige Kinderen. Terecht worden ze martelaren genoemd. De kleur van het gewaad van de priester is daarom ook rood, zoals op tweede kerstdag voor de martelaar Stefanus. We vieren de Onschuldige Kinderen als martelaren, maar ze ontberen wat het martelaarschap nu juist zo moeilijk en daarom ook zo verdienstelijk maakt. Daarmee wordt bedoeld: het afleggen van je eigen wil, van de diepste drang van de mens: de drang tot zelfbehoud. Kleine kinderen hebben geen eigen wil, die kunnen ze dus ook niet afleggen. We zouden ze kunnen vergelijken met de werkers van het elfde uur. De werkers van het eerste uur, de volwassen bloedgetuigen, moeten toezien dat de werkers van het elfde uur hetzelfde loon krijgen als zij, die de last en de hitte van de dag hebben gedragen (vgl. Mt 20,1-16). God geeft zijn genade, de genade van het martelaarschap, - want ook dat is een genade - voor niets. Dat maakt nu juist dat het genade is. Het merkwaardige is, dat de martelaren van het eerste uur het ook zo ervaren. Soms hebben zij speciaal gevraagd om de genade van het martelaarschap te mogen ontvangen. En als het hen te beurt valt, dan zien zij dat als komende vanuit de hemel, zoals we dat bij Stefanus hebben gehoord. "Hij staarde naar de hemel en zag Gods heerlijkheid en Jezus, staande aan Gods rechterhand" (Hnd 7,55) om hem op te vangen. De kracht van de hemel tot redding is sterker dan de krachten van de aarde tot ondergang.
Zo mogen wij het leven ervaren, als iets dat ons geschonken wordt, dat heel veel moeite kost, dat onze totale inzet vraagt; maar tegelijkertijd mogen we ervaren dat God daarin de totale inzet geeft van Zichzelf. Dat is wat wij in iedere eucharistie vieren: ónze zelfgave beloond met zíjn zelfgave.
Belijden wij dan onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Na het vertrek van de wijzen,
verscheen een engel van de Heer in een droom aan Jozef
en sprak:
“Sta op, neem het Kind en zijn moeder,
vlucht naar Egypte en blijf daar tot ik u waarschuw,
want Herodes komt het Kind zoeken om het te doden.”
Jozef stond op
en week in de nacht
met het Kind en zijn moeder naar Egypte uit.
Daar bleef hij tot aan de dood van Herodes,
opdat in vervulling zou gaan
wat de Heer gesproken had door de profeet:
“Ik heb mijn Zoon geroepen uit Egypte.”

Zodra Herodes bemerkte
dat hij door de Wijzen om de tuin geleid was,
ontstak hij in hevige toorn.
Hij zond zijn mannen uit
en liet in Bethlehem en heel het gebied daarvan
al de jongens vermoorden van twee jaar en jonger,
in overeenstemming met de tijd
waarnaar hij de Wijzen nauwkeurig had gevraagd.
Toen ging in vervulling
het woord dat door de profeet Jeremia gesproken was:
“Een klacht werd in Rama gehoord,
geween en luid gejammer:
Rachel wenend om haar kinderen
wil niet getroost worden
omdat ze niet meer zijn.”

Homilie      
                 
De moord op de kinderen door Herodes wordt in samenhang gezien met de moord op de kinderen van het Joodse volk door farao. Dat die gebeurtenissen worden aangehaald, is opdat we zouden weten, dat God, die eenmaal begonnen is met Zich bevrijdend en reddend in te voegen in de geschiedenis van de mensen, daar ook mee door zal gaan. Wij staan in de geschiedenis van Gods redding. God is trouw, Hij maakt het werk af, Hij laat het niet onafgemaakt liggen, zoals die torenbouwer die besloot om een toren te bouwen, maar niet verder kwam dan het fundament (vgl. Lc 14,28-31).

Nu gaat het niet precies om de herinnering aan die moord op het Joodse volk in de dagen van farao, tijdens de slavernij in Egypte, maar het gaat er om, dat er toen één iemand aan die slachtpartij ontkwam en dat was Mozes. Zoals Mozes toen, zo is er ook nu één Iemand die aan die kindermoord ontkwam: Jezus. Maar wat is Mozes zonder volk? Het volk wordt en passant mee gered en bevrijd. En wat is Jezus zonder volk? Wat is Jezus zonder ons? Ook wij worden en passant mee gered en bevrijd met het Kind, dat aan de handen van de wrede Herodes wist te ontsnappen door een ingrijpen vanuit de hemel. Bevrijd uit de slavernij van de zonde, bevrijd uit de toorn van God. Die mineurtonen van de Bijbel, die in heel de bijbelse geschiedenis aanwezig zijn, worden opgehaald vanwege de majeurtonen waarin die mineurgeschiedenissen eindigen.

Zo is het ook met de kerstnacht. We verkeren in de nacht van de geschiedenis. Heel de geschiedenis is als een nacht, maar die nacht wordt daghelder, wordt doorstraald met licht uit de hemel. Was het ook niet zo met dat Kind dat ze moesten neerleggen in een kribbe, een voederbak voor beesten, "omdat er voor hen geen plaats was in de herberg?" (Lc 2,7). De afwijzing door de mensen roept de aanvaarding op door God. Dat woord 'herberg' komt nog twee keer voor in het evangelie van Lucas. Bij Zacheüs in Jericho, toen Jezus hem bij zijn intocht in de vijgenboom zag zitten: "Klim vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn" (Lc 19,5). Dat woord 'te gast zijn' betekent 'onderkomen krijgen', zoals in een herberg. En het komt nog een keer voor als Jezus zijn leerlingen laat vragen: "Waar is de zaal voor Mij, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?” … “Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien, met rustbedden en van al het nodige voorzien; maakt daar alles voor ons klaar" (Mc 14,14.15). Een grote bovenzaal, een groot 'onderkomen', een onderkomen dat Hem werd onthouden toen Hij op aarde kwam. Er was voor Hem geen plaats in de herberg, geen plaats in het onderkomen. En terwijl er voor Hem geen plaats was in de herberg, is er voor ons een groot en ruim onderkomen, zijn goddelijk Hart, waar wij ons kunnen verzadigen. Daar gaat het om, om de liefde van zijn goddelijk Hart.

We keren nog eens terug naar het evangelie van vandaag. De rampen worden opeengestapeld, de nood is hoger en hoger gestegen; daardoor wordt ons het uitzicht op redding gegeven. Wanneer de nood het hoogst is, is de redding het dichtst nabij. Want die klacht die uit Rama opsteeg van de moeders van de kinderen die naar de ballingschap werden gevoerd, was het 'Westerbork-drama' van die dagen. Het is een plaats waar de Joden bijeengebracht werden om naar de ballingschap te worden gevoerd; bij ons is het een plaats vanwaar de Joden naar de vernietigingskampen werden gedreven. Daar hoor je dat klagen nog tot op de dag van vandaag. Maar de Heer zegt daarop: "Houd op met schreien, droog uw tranen. Er is uitkomst voor uw lijden, - godsspraak van de Heer -: uw kinderen keren terug uit het land van de vijand" (Jer 31,15). De redding komt dus van God. Er is hoop voor de toekomst. Ze mogen terugkeren naar hun eigen land. De rouw van Rachel zal in vreugde verkeren. Het volk keert terug uit Egypte, door God geroepen met dezelfde woorden als waarmee de engel sint Jozef toespreekt: "Sta op, neem het Kind en zijn moeder en trek naar het land Israël, want die het Kind naar het leven stonden zijn gestorven" (Mt 2,20). Mozes keert terug en die terugkeer van Mozes gaat in vervulling in Jezus Christus.

Verdriet is erg, kinderleed is nog erger, maar het ergste is: moederleed. Maar dat allerergste leed is nooit het laatste. Want de geboorte van Jezus, de Zoon van God in ons midden, is als een licht in de nacht van de geschiedenis, is de troostvolle gezichtseinder van de mens. Troost krijgt de overhand op het verdriet. Het verdriet wordt niet weggepraat, het wordt niet gesublimeerd, niet verdrongen of ontkend, het mag er helemaal zijn, maar de troost is nog groter.
Wij ballingen, kinderen van Eva, zijn kinderen van God. Dat is wat er in de kerstnacht gevierd wordt. In Jezus, de Zoon van God, zijn wij kinderen van God, vervuld van hoop op de troost van Godswege.