Eerste lezing: Romeinen 1,16-25
Evangelie: Lucas 11,37-41
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd nodigde een Farizeeër Jezus uit de maaltijd bij hem te gebruiken.
Jezus trad dus binnen en ging aanliggen.
Toen de Farizeeër dat zag, stond hij er verwonderd over
dat Jezus niet eerst vóór de maaltijd de wassingen verricht had.
Maar de Heer sprak tot hem:
En gij dan, Farizeeën,
gij maakt wel de buitenkant van beker en schotel schoon,
maar van binnen zijt ge vol van roof en slechtheid.
Dwazen!
Heeft Hij die de buitenkant maakte
ook niet de binnenkant gemaakt?
Geef liever wat erin is als aalmoes,
dan is voor u alles rein.
Homilie
De buitenkant schoonmaken en de binnenkant vuil laten, vol roof en slechtheid. Het wordt tot de Farizeeën gezegd, maar ons wordt het voorgelezen. Het evangelie is, zegt sint Paulus in de eerste lezing, "een goddelijke kracht tot heil van ieder die erin gelooft." Dat betekent dat het een woord is in de actualiteit, in het heden, dat het een nu-woord is aan u, een nu-woord van kracht voor u nu, een scheppingswoord. God zegt: Er moet licht zijn. En er was licht (Gn 1,3). God spreekt door Jezus: Jullie zijn van binnen anders dan van buiten. Daardoor worden wij van binnen gereinigd. We trekken ons dat woord aan, het is waar, we beamen het met de lippen en met het hart, want de moeilijkheid is niet dat we van binnen anders zijn dan van buiten, maar dat we dat niet weten, dat we ons dat niet bewust zijn. Maar het evangeliewoord doet ons die waarheid beamen: het is zo bij mij.
Wat moeten we nu met die onzuiverheid doen? Daarvoor zijn we toch in het klooster gekomen, om iets te doen aan die onzuiverheid van het hart. Dat is de inzet van het religieuze leven, niet de buitenkant, ook natuurlijk, maar de buitenkant vanuit de binnenkant. Hoe doe je dat nu? Op een zeker moment kreeg een zuster die bezig was met de voorbereiding van haar jubileum, te horen: 'Zal Ik je nu eens laten zien hoe je er uit ziet? Dat is goed Heer, doe maar. Toen werd haar een venster getoond zoals je dat wel op een zolder of in een kelder ziet, vol stof, spinnenwebben, vuil. Kijk, zo zie je er van binnen uit.' Het zat er al jaren, maar omdat het in haar hart zat en zij meer met de buitenkant bezig was dan met de binnenkant zoals de Farizeeën zag ze het niet. Maar nu zag ze het. Maar daarmee was ze niet van de vuiligheid af, van het maken van compromissen, het doen van de eigen wil, het gebrek aan attenties, maar nu stond ze in de waarheid. Het maakte haar rein, zuiverder van hart. Bij haar was het nu: willen werken aan de reinheid van het hart.
Gebruiken wij daarbij de gewone schoonmaakmiddelen die wij gebruiken bij het reinigen van zolder- of kelderramen? Nee, er bestaat een apart schoonmaakmiddel voor en dat middel heet: berouw. Als een christen of religieus echt volmaakt wil zijn, zegt Benedictus, dan loopt hij rond met gebogen hoofd, als een zondaar die zich op de borst klopt en zegt: 'God, wees mij, zondaar, genadig.' Is hij dan werkelijk schoon? Ja, schoongemaakt door zijn barmhartige liefde.
Zo kunnen we dus altijd vol zijn van vuil en toch ook meteen helemaal schoon, wanneer wij weet hebben van onze onreinheid in het licht van Gods barmhartigheid. Het zit niet in de werken, zegt sint Paulus, het zit niet in je mooie uiterlijk, het zit ook niet van binnen, van binnen is het niet schoon, maar het zit in het geloof in Gods werk. Gods gerechtigheid openbaart zich daarin, dat Hij de mens spaart door het geloof en door het geloof alleen. Wij zijn toch begonnen met ons berouw te tonen in de schuldbelijdenis, en zo gaat het heel de eucharistie door. Steeds bidden wij dat wij, zondaars, ons bewust zijn van onze zonden en dat God zijn barmhartigheid werkelijkheid laat worden.
Na ons eerst te hebben laten schoonwassen door het woord van God, dank zij het woord dat Ik tot u gesproken heb, zegt Jezus tot zijn apostelen, daarom zijt gij al rein, mogen we ons nu rein laten maken door zijn liefde, door zijn barmhartige liefde.